Alle blogposts van hardlopers op Looptijden.nl

Hieronder staan de laatste weblog posts van gebruikers van Looptijden.nl over hardlopen en gerelateerde onderwerpen.

Over het Roken van Zware Dobbers in Havana aan de Waal (3 reacties)

Gepost door Peter de Haan op zondag 1 december 2019 03:52

Na het slopende Damfestijn op 22 september was het heilige vuur weer even gedoofd bij Uw Goudse Tobatleet. Tussen Dam-tot-Dam en Zevenheuvelen zaten acht lange weken – en in die weken liet schrijver dezes zich qua hardlopen behoorlijk onbetuigd. Een stukje diepgravende data-analyse leerde mij dat in die acht weken slechts zes zaterdagochtendtrainingen en één (zegge: 1) duurloop á 12 kilometer hadden plaatsgevonden. Een schrale oogst voor een ooit zo toegewijde en bloedfanatieke hardloper voor wie geen inspanning teveel en geen grens te ver was. Hoe kan het toch lopen in het hardloopleven. Vooral de fysieke Peter werkte niet echt mee: de luchtwegen protesteerden dit najaar weer (on)behoorlijk – en dat zet bepaald geen zoden aan de dijk kan ik U melden.

Gevolg van dit alles was dat ik in weinig aansprekende conditie aan de start ging verschijnen van het grote spektakel in en om Ulpia Noviomagus Batavorum, waarbij naar verluidt maar liefst zeven heuvelen beklommen moesten worden. Kijk het zit zo: de naam Zevenheuvelenloop was al snel verzonnen door de organisatoren van het eerste uur. Mooie naam, bekt lekker, gouden vondst. Nu moesten er alleen nog zeven passende heuvels (what’s in a name?) gevonden worden voor deze monstertocht. De Zevenheuvelenweg lag uiteraard voor de hand: op dat tracé lagen immers drie beklimmingen van importantie. De overige vier puisten werden spoedig daarna gevonden op de Nijmeegsebaan, de Postweg en de Oude Kleefsebaan. Et voilá: de Zevenheuvelenloop was geboren – en deze deed zijn naam nog eer aan ook! Wat mij betreft had de Zevenheuvelenweg en passant gedegradeerd mogen worden tot Drieheuvelenweg, maar dat geheel terzijde.

Speaking of which: de Zeven-/Drieheuvelenweg vormt jaarlijks ook het imposante toneel van de Internationale Vierdaagse Afstandsmarsen Nijmegen, kortweg Vierdaagse. In het buitenland schijnt dit festijn te boek te staan als The Walk of the World, dit omdat het de grootste meerdaagse wandelprestatietocht ter wereld is. Elke derde dinsdag van juli wordt dit festijn afgetrapt met de Dag van Elst, gevolgd door de Dag van Wychen, de Dag van Groesbeek en – tenslotte – de Dag van Cuijk.

Graag wil ik met U even focussen op de Dag van Groesbeek – zoals U goed heeft kunnen uitrekenen de derde van de vier dagen. Na een flinke aanloop ten zuiden van Nijmegen betreedt het wandelpeloton de Zevenheuvelenweg. Gekscherend noem ik (als hardloper èn wandelaar) dat altijd de Cakewalk: bergje op en bergje af in een strakke cadans. De in groten getale meemarcherende militairen maken op de Zevenheuvelenweg altijd een stop bij de Canadese militaire begraafplaats, als eerbetoon aan vele gesneuvelden in WOII. Ik kan dit alles weten, want in 1995 was ik er gloeiend bij. Niet als militair overigens, maar als meewandelende burger.

Mijn grootvader van vaders kant (Opa de Haan zullen we maar zeggen) liep in de late zomer/vroege herfst van zijn leven steevast de Nijmeegse Vierdaagse. Wij als kleinkinderen waren daar – samen met Oma de Haan - altijd reuze trots op. Wat hadden wij een immense bewondering voor die superprestaties van onze ouwe-ouweheer. Vier dagen lang 40 kilometer wandelen was in onze jeugdige hoofdjes een moeilijk te bevatten fenomeen. Maar twee van ons prentten dit wat steviger in het bolletje dan de anderen, zoals weldra uit dit verhaal zal blijken. Vierentwintig Vierdaagses bond Opa met ogenschijnlijk groot gemak aan zijn zegekar. Een vijfentwintigste keer lag uiteraard voor de hand, een mooi jubileum tenslotte, maar helaas gunde zijn fysiek hem dat niet langer.

Opa ontviel ons tot ons groot verdriet op een kille dag in maart 1993. Wat betreft de vierdaagses was de teller voor hem dus op vierentwintig blijven staan. En daar was het ongetwijfeld bij gebleven, ware het niet dat mijn neef Michael en ik in de late zomer van 1994 de stoute wandelschoenen aantrokken en na een iets te rijkelijk besprenkeld dinertje besloten om samen voor Opa die vijfentwintigste te verhapstukken (bron: Arranraja). Helaas kon Opa ons niet meer van advies dienen – hij had dat vast en zeker met liefde gedaan. En dus moesten Michael en ik ons eigen plan gaan trekken voor het volbrengen van die monstertocht. Een monstertocht die gezien onze leeftijd - beiden vroege dertigers - maar liefst 200 ellenlange kilometers zou beslaan: vier dagen á 50 kilometer elk. Maar uiteraard waren wij vastberaden: voor onze geliefde gezamenlijke voorouder zouden wij indien nodig door muren gaan.

Gedurende het najaar van 1994 en de daaropvolgende winter werkten Michael en ik apart van elkaar plichtmatig onze trainingen af. Hierbij bouwden wij al buffelend, kloppend, vegend en zuigend op naar afstanden die uiteindelijk 35 kilometer bedroegen. In het voorjaar en vroege zomer van 1995 troffen wij elkaar meermalen in het land voor georganiseerde wandelmarsen van 30, 40 en uiteindelijk 50 kilometer. Anderhalve week voor aanvang van de Vierdaagse voltooiden wij onze trainingsarbeid in Nijmegen met twee marsen in één weekend: 42 kilometer op de zaterdag, gevolgd door 50 op de zondag. Wij waren zo fit als een Haantje, en er helemaal klaar voor!

Gezien deze strakke voorbereiding behoeft het geen betoog dat het voltooien van de Vierdaagse voor Michael en mij een eitje van een cent werd. Bulkend van de energie stonden wij elke nacht om twee uur op. Het geluk was dat Michael in Nijmegen woonde en dat wij dus van alle gemakken waren voorzien. Eerst goed ontbijten (de wachters voor de maagpoort stonden dat op dat tijdstip overigens nauwelijks toe) en proviand smeren. Daarna de rugzakken volpakken met alle benodigdheden. Vervolgens het lijf goed verzorgen (vooral liesstreek, knieholten en uiteraard de voetjes) en zorgvuldig aankleden. Tenslotte tegen half vier met stille tred en op fluistertoon het pand verlaten om de vrouw des huizes niet te verbelgen. De eerste nacht ging dit alles nog moeizaam, maar naarmate de Vierdaagse vorderde wende dit enorm. Tussen vier uur en kwart over vier des nachts vond dan onze dagelijkse start plaats.

Wat betreft het wandelen: dit was voor ons beiden één groot feest, getraind en gemotiveerd als wij waren. Wij zouden Oma (die zó trots op ons was) en Opa eens laten zien dat wij nazaten voor geen kleintje vervaard waren. Vanaf de eerste meters nabij De Vereeniging, daar waar je door de net van de Nijmeegse Feesten teruggekeerde studenten ‘uitgeleide’ wordt gedaan, kwam er een glimlach op mijn aangezicht die er vier dagen lang niet meer af te beitelen was. Om ons heen zagen wij gaandeweg meer mensen die grote moeite hadden (understatement), voor ons echter leek het alsof het stevig doorwandelen onze batterijen alleen maar verder oplaadde.

De eerste twee dagen voltrokken zich onder prettige omstandigheden: bewolking, nauwelijks wind en niet al te hoge temperaturen. De laatste twee dagen, waaronder dus die doortocht over de Zevenheuvelenweg, zuchtten onder gruwelijk warme omstandigheden: zo goed als onbewolkt en maar liefst 36 graden. Maar het leek Michael en mij in het geheel niet te deren. Als ik er aan terugdenk besef ik steeds dat wij toen over een monsterconditie moeten hebben beschikt. Daarbij, en niet onbelangrijk: geen moment kenden wij blessures. Waar goede training en verzorging al niet goed voor is. Resultaat van dat alles was dat wij op die bloedhete en gortdroge vrijdag ons met gladiolen en tooien omhangen over de finish van dit grandioze spektakel mochten storten. Gadegeslagen door talloze familieleden en vrienden volbrachten wij het 25e kunststukje van Opa de Haan. En we wisten dat hij bij ons was geweest. Vanaf kilometer 30, toen het nog even loodzwaar was, vergezelde in de verder strakblauwe lucht een piepklein wolkje ons tijdens onze laatste uren van de triomftocht. Dit was het wolkje waarop Opa gezeten was - dat wisten wij zeker.

Dankjewel Opa! Jij hebt mij de inspiratie verschaft voor deze wandelmarathon en voor mijn verdere hardloopbaan. Maar ook heb jij als dichter en schrijver mij de genen doorgegeven op schriftelijk verbaal gebied. En oh ja, als zeer verdienstelijk amateurschaker bracht jij mij de regels van het edele spel bij. Vele partijen hebben wij samen verhapstukt. Met een onbedaarlijke glimlach bedenk ik mij dat wij, nadat ik voor het eerst van jou gewonnen had, nóóit meer een partij tegen elkaar hebben gespeeld. Want trotse Hanen, dat waren wij, zijn wij en blijven wij.

Nooit is het er meer van gekomen om de Vierdaagse nogmaals te verhapstukken. Maar als hardloper vond ik sinds 2014 jaarlijks mijn weg naar de Zeven Heuvelen in en om Nijmegen. Waarbij de linking pin natuurlijk werd gevormd door de roemruchte Zevenheuvelenweg. En op zondag 17 november 2019 ging ik dus voor de zesde achtereenvolgende keer deze monstertocht volbrengen. Weliswaar niet zo goed getraind, en ook nog eens stevig verkouden, maar zeker zo gemotiveerd als 24 jaar geleden. En die motivatie verklaart zich dan weer uit het feit dat deze loop al sinds twee jaar in het teken staat van het leven van mijn lieve dappere moeder – ik heb het reeds meermalen beschreven. Ook voor deze geliefde voorouder was (en ben) ik bereid door muren te gaan.

Wat de 2019-edite van de Zevenheuvelenloop ook mooi en gedenkwaardig maakte, was de aanwezigheid van collega-bloggers Jaco en Cristian. Ook zij zouden ditmaal hun opwachting maken – voor Cristian was het zelfs zijn debuut op deze race met het traditioneel snelle parcours. En beiden hadden zeer snode plannen voor de wedstrijddag. Na weken van minutieuze voorbereidingen zouden hun PB’s (Personal Bests) er aan gaan. Zelf kon ik alleen maar denken aan een PW (Personal Worst) dat hopelijk niet al te beschamend zou zijn. Ik vreesde met grote vreze dat de magische ondergrens van anderhalf uur voor mij een onhaalbare kaart zou zijn. Derhalve had ik mij voorgenomen om gewoon zo relaxed en rustig mogelijk te gaan lopen om het voor mezelf niet te gruwelijk te maken. Gewoon genieten was het devies voor deze dag.

Vroeger dan normaal ontvluchtte ik op de gewraakte zondagmorgen het liefdesnestje en spoedde ik mij langs grote groepen zwaar gereformeerden richting het Goudse Hauptbahnhof, zoals U weet een toonbeeld van grandeur. Het vroege tijdstip vond zijn oorzaak in het feit dat Jaco en Cristian beduidend eerder zouden starten dan ondergetekende. Wij zouden elkaar om half twaalf ontmoeten bij de Sterrendollars in het Nijmeegse stationsgebouw. In de trein naar Utrecht was het nog redelijk rustig. Hevig mediterend op de klanken van Jessica Pratt zag ik de weilanden van het Groene Hart aan mij voorbijtrekken. De zon scheen laag en fel, en dwong mij om zo nu en dan het zonnebrilletje op de bevallige neusschelpen te planten.

In de Intercity van Utrecht naar Nijmegen was de situatie echter heel anders. Ik betrad een coupé waar eerder een zestal veertigers was neergestreken: drie mannen en drie vrouwen. Ook zij gingen de heuvelen bedwingen in Nieumeghen. Aan niets in hun gedrag was trouwens te merken dat zij de veertig gepasseerd waren. Luidkeels verwoordden zij hun puberale gedachten en gevoelens, vaak seksistisch en buitengewoon plat. Dit tot grote ontsteltenis van de eveneens in deze coupé reizende ongelukkigen. Mocht het sekstet dit geheel toevallig lezen: ja ik heb het inderdaad over jullie. Na een stief kwartiertje van deze stuitende ongein bracht ik gelaten mijn oortjes in. Op de opzwepende klanken van Anaïs Mitchell’s Broadway-musical Hadestown voltooide ik zenmediterend mijn journey naar de wedstrijdstad.

Verlost van de zes onruststokers sjokte ik op het Nijmeegse perron achter een loopster aan die onwaarschijnlijk dunne luciferbenen had. Normaal gesproken zou ik dat best wel zielig kunnen vinden (Anorexia is qua ziekte echt een rotzak) maar deze dame gehuld in hardloopkledij had klaarblijkelijk een loop van 15 kilometer in haar mars. Soms zie je dingen die je oprecht verwonderen – en deze aanblik was er één van. Ruim op tijd betrad ik de Starbucks die druk bevolkt was met lopers, maar Jaco noch Cristian waren er nog te bekennen. De verleiding van een Grande Caramel Machiato of een Grande Moccha kon ik ternauwernood bedwingen. Even verliet ik de coffeeshop om buiten te kijken of mijn kompanen al in aantocht waren. Plots hoorde ik luid mijn naam roepen. Ik keek in de richting van het geluid – en daar stond Jaco in de menigte breeduit naar mij te zwaaien. Uiteraard was de begroeting met deze Tholense Topatleet weer allerhartelijkst, en binnen een minuut meldde ook Cristian zich bij ons. Het verheugde mij zeer om naast Jaco ook deze Looptijdenblogger eindelijk eens te ontmoeten. Vorig jaar bij de marathon in Eindhoven was dat niet gelukt doordat onze starttijden veel te ver uiteenlagen.

Gezellig keuvelend over Eindhoven (Jaco's geboortestad!) en over allerlei andere hardloopevenementen beenden wij het station uit richting het Keizer Karelplein. Beide hardloopmatadoren ontvouwden direct hun uiterst snode plannen voor deze loop. Beiden mikten ze op een tijd niet ver van de uurgrens. Wat dat betreft hield ik mij enigszins op de vlakte: mijn zorg over het al dan niet halen van de anderhalfuurgrens was niet echt een onderwerp van belang. Min of meer gewillig lieten we ons fuiken in de Zevenheuvelenexpo, maar geen van ons drieën liet zich verleiden tot een aankoop, ondanks de smeekbeden van de exploitanten.

Aangekomen op het Keizer Karelplein vond ik de zo op het oog meest bevallige loopster in de directe omgeving bereid om een foto van de Drie Hardloopmusketiers te maken. Waarvoor mijn eeuwige dank. Het mooiste kiekje van de serie is aan dit verslag gehecht, zoals U na het lezen van de laatste regel van dit ellenlange kletsverhaal zult ontdekken. Daarna was het tijd om roerend afscheid te nemen en onze respectievelijke kleedgelegenheden op te zoeken. Cristian vertelde mij nog dat hij in april een dag en nacht in Gouda zou vertoeven voorafgaand aan de Rotterdam Marathon. Uiteraard heeft hij mijn recente opstel over Gouda gelezen en al even uiteraard is hij van harte welkom bij ons voor een zeultocht door onze geliefde kaas- en stroopwafelstad. Jaco gaf te kennen dat er nog een extra motivator was om snel te lopen vandaag: hij moest op tijd weer naar huis omdat hij aldaar de enige is die de airfryer kan bedienen op zondag patatdag. Huiskamervraag: is deze motivator nou intrinsiek of extrinsiek? We verlieten elkaar met de gedeelde uitspraak dat er ongetwijfeld drie prachtverhalen op Looptijden zouden verschijnen, mogelijk onze laatste verhalen op dit platform.

Ik zou veel later starten dan mijn goede vrienden, dus ik had nog alle tijd om even heen en weer te lopen naar Dixiland nabij het station, om de eerste van vele zenuwenplasjes te plegen, hmmm wel, het kan natuurlijk ook door de kou zijn geweest. Daarna banjerde ik weer fluks terug naar de grote Keizer Karelrotonde. Mijn kleedgelegenheid was net zoals vorig jaar de aan het plein gelegen parkeergarage van Isatis, een betrekkelijk warme herberg in het verder kille Nijmegen. Ik vond een mooi plekje op een bankje aan één van de vele lange tafels die er stonden. Hier trachtte ik helemaal tot rust te komen door heel mindempty te mediteren en heel langzaam mijn vele laagjes af te pellen. Ondertussen keek ik ongegeneerd om me heen om te zien wat er allemaal gebeurde in het vertrek. Drie mannen meldden zich aan mijn tafel, en alle drie bleken zij Hans te heten, zo kon ik althans opmaken uit hun op de borst geprikte startnummers. Blijkbaar helemaal uit Zwolle gekomen, hoewel: ook Nijmegen was lange tijd een Hansenstad. Tegenover mij zat Ingeborg al even meditatief haar banaantje weg te werken en zich doodrustig om te kleden. Vlak naast mij zat een roodharige dame een telefoongesprek te voeren met haar partner, vreemd eigenlijk want ikzelf had helemaal geen bereik. Moet ik toch T-Mobile eens over bellen, dat ze ook in de Isatis-parkeergarage hun clientèle gaan bedienen.

Even na half één verliet ik het warme nest om over de Van Schaek Mathonsingel wat inloopactiviteiten te verrichten. Ik heb het even opgezocht: de Van Schaek Mathonsingel is de straat waarnaar de zeeofficier Franciscus Maria Armandus van Schaek Mathon is vernoemd. Deze Van Schaek Mathon heeft het na zijn marineloopbaan nog tot burgemeester van Bergen op Zoom en (jawel) Nijmegen geschopt. Ook vermeldenswaard is dat Van Schaek Mathon tijdens de Atjeh-oorlog zich als adelborst zo heldhaftig heeft mis- dan wel gedragen tegen de inheemse bevolking dat hem, gelijk onze vriend Marco Kroon, de Militaire Willemsorde werd toegekend. Waarvan akte.

Terug in de Isatis-garage monsterde ik nog eenmaal mijn rivalen en rivales. Ik haalde uit mijn rugzak een oude bordeauxrode trui en trok die over mijn hardloopshirts heen. Tenslotte hulde ik mij nog in een gele poncho die mij ooit door de NS was aangereikt voor of na een hardloopevenement. Volledig opgepeld zette ik mijn tas veilig weg, verliet mijn tijdelijke onderkomen en beende vol wedstrijdspanning richting mijn rode startvak in de Celebesstraat. Een mooi toeval vond ik dat, immers: mijn Opa de Haan zag in 1908 het levenslicht in Makassar, gelegen op Celebes, het tegenwoordige Sulawesi.

Rustig wandelend over de Sint Annastraat, tijdens de Vierdaagse steevast omgedoopt in Via Gladiola, bedacht ik mij dat sommige dingen in het leven toch wel op een wonderlijke manier in elkaar grijpen. Bij café Sint Anneke (toepasselijke naam hoor!) zaten de mensen buiten op de terrasjes. Ik kon mij daar geen voorstelling bij maken: zelf was ik het liefst daar naar binnen gewandeld en had ik mij volgaarne verwarmd aan het haardvuur onder het genot van een dubbele espresso. Maar voor deze strapatsen was helaas geen tijd meer, dus marcheerde ik stevig voort richting de Celebesstraat. Onderweg bezocht ik nog twee maal een Dixi omdat anders het kraantje maar was blijven druppelen. Een half uur voor aanvang betrad ik uiteindelijk kleumend het vermaledijde startvak.

Eigenlijk gebeurt in het startvak elk jaar hetzelfde. Eindeloos wachten, satelliet aanschoppen, banaantje en slokjes water inbrengen, wéér naar de Dixi vanwege Kraantje Lek, vlak voor aanvang ponchootje en truitje uit en in een hek hangen – ik kan het zo langzamerhand uittekenen. Op een groot scherm werden de verrichtingen van ene Letesenbet Gidey uit Ethiopië breed uitgemeten. Deze dame snelde richting een onwaarschijnlijk wereldrecord van 44:20, en de speaker van dienst raakte hiervan volledig buiten zinnen. Op het moment dat de meute zich wandelend naar het startvak begaf kon hij alleen nog maar uitbrengen ‘WERELDRECORD...WERELDRECORD...WERELDRECORD...’. Imposante vocabulaire zeg. Om klokslag 13.39 uur passeerde ik, aangespoord door een kudde enthousiaste trommelaars, de startmatten en was voor mij de zesde achtereenvolgende Zevenheuvelenloop een feit.

Direct na de start viel de zon weg en werd het bewolkt. Direct ook voelde ik aandrang – maar die moest ik dan maar volgens beproefd recept aan een haakje weghangen. Aan de andere kant van de Groesbeekseweg zag ik lopers en loopsters met een noodvaart richting de finish snellen. Dit waren de echte matadoren, de toppers, en ik mocht zien hoe ze alles gaven om binnen no time de finish te passeren. Eén loper had zijn hoofd volledig naar achteren geworpen – ik kan mij totaal geen voorstelling maken van zo’n loophouding. Maar ja, hij ontwikkelde wel een bizar hoge snelheid. Ook Susan Krumins zag ik met een ontzagwekkende vaart richting finishvod sjezen. Zelf koos ik een rustig recreantentempo dat mij door die lastige startkilometers moest heenslepen. Het gaat immers ruim 5 kilometer vals plat omhoog, elke keer weer een bezoeking. Wat mij altijd opvalt zo in de eerste kilometers is dat er flink wat mensen zijn die het al vroegtijdig opgeven en gedesillusioneerd komen terugwandelen over het fietspad. Dat zou mij werkelijk mijn eer te na zijn. Maar ach, ik kan niet voelen wat zij voelen, en ik ken hun overwegingen ook niet, dus laat ik me daar niet al te druk om maken. Mijn eigen situatie verdiende immers alle aandacht. Lekker ging het niet, zoals gebruikelijk in dat eerste stuk. Mijn relatief prettigste gedeelte komt voor mij altijd na 7 kilometer, dus moest ik deze eerste kwelkilometers maar zien door te komen.

Af en toe haalde ik loopsters en lopers in. Maar het meeste volk kwam mij onverbiddelijk voorbijgesneld: atleten in alle soorten en maten. Een halve Blade Runner stoof mij voorbij, en ik kon hem zelfs met mijn beide voetjes niet volgen. Een waaghals op blote voeten passeerde mij alsof ik stilstond, en mijn Sauconietjes met enorme demping waren niet in staat mij in zijn kielzog te manoeuvreren. Twee paardenstaarten met shirts waarop Usher Syndroom stond kwamen gezellig keuvelend mij voorbijgeraasd, onderwijl vrolijk om zich heen kijkend. Blijkbaar waren zij zelf niet met die aandoening behept. En ik, ik ploeterde maar voort. Het was duidelijk: ik was in de eerste kilometers al bezig een zware kluif te roken.

Tot kilometer 2 staat er een uitzinnige menigte langs de kant om ons hardlopers aan te moedigen dan wel meewarig te observeren. Maar daarna maakt het publiek langs de kant steeds meer plaats voor bomen en wordt het navenant rustiger. Vlak na het 5km-punt snelt de meute linksaf de Derdebaan op, eindelijk vlak, eindelijk wat herstel. Diezelfde blootvoetse loper bewoog zich daar heel moeizaam voort: er liggen veel kleine klinkers en steentjes op de Derdebaan, en dan is die demping van een sportschoen toch wel weer prettig dunkt mij. Na 200 meter is daar dan ook nog eens de drankpost, en rustig werkte ik daar een bekertje sportdrank en een bekertje water naar binnen. Er waren zes kilometers in de tas, nog negen te gaan.

Zoals gebruikelijk passeert het peloton op de Derdebaan het onderkomen van de Boeddhistische monniken, althans in mijn fantasie dan. Het enige wat je merkt is het via een omroepinstallatie voortdurend gescandeerde mantra Om Mani Padme Hum, verder is er niets te zien. Trouwens, dát zou pas humor zijn, zo’n roedel wandelende bedelmonniken temidden van al die hardlopers. Ik had gerust mijn gelletjes uitgedeeld, had ik ze bij me gehad. De Tibetaanse monniken uiteraard wandelend vanuit het rode startvak, de Thaise vanuit het oranje. Kijk dán had ik tenminste een verhaal gehad waarmee ik kon thuiskomen. Maar helaas, niets van dat alles. De electronisch versterkte roep om de Parel in de Lotusbloem te eren verstierf na de draai naar links, de Zevenheuvelenweg op.

Eigenlijk kan ik niets nieuws meer over de Zevenheuvelenweg vertellen – in vier voorgaande epistels is dat al uitgebreid uit de doeken gedaan. Vlak na het begin passeerden wij de eerder gememoreerde Canadian War Cemetery, maar wij allen bleven op het Zevenheuvelenslagveld marcheren waarbij wij hoopten dat er niemand zou sneuvelen. De cakewalk werd ook dit keer weer prima verteerd, alhoewel ik wel het gevoel had dat de tank redelijk snel leegliep. Maar die heuvels kan ik wel goed hebben, en je hebt daar op die Zevenheuvelenweg ook het gevoel dat de kilometers elkaar snel opvolgen. Bij kilometer 9 draaiden we scherp naar links, richting alweer de volgende drankpost. Daar wachtte een verrassing. Helemaal vooraan werden Ohootjes uitgedeeld; zoals Jaco al beschreef zijn dit bolletjes met een omhulsel van zeewier, waarin een explosief mengsel van water en sportdrank. Je kan dit bolletje in één keer in je mond stoppen en naar binnen werken. Voor mij was deze traktatie niet genoeg: ook moesten er nog twee traditionele bekertjes water tegenaan worden gegooid. Daarna was het op naar het 10km-punt en vervolgens de vervelende klim richting Berg en Dal.

Op die laatste grote klim verdwenen de laatste beetjes energie uit mijn tank. Alhoewel veel mensen hier aan het wandelen waren liet ik mij niet kennen, ondanks het feit dat ik door het conditiegebrek de nodige wegtrekkertjes voelde. Op mijn tandvlees bereikte ik de top, waar ik even wandelend tot mezelf moest komen voordat ik mij gedurende 4 kilometers omlaag ging storten. Daarna vervolgde ik weer mijn looppas. Amechtig sjouwde ik achter een op het oog Aziatische loopster aan die gehuld was in rood-wit-blauwe tights. Zou zij misschien uit Zuid-Korea komen, of toch misschien uit Nederland? In ieder geval liep zij op een uiterst merkwaardige manier. Eendje Waggel had gerust een voorbeeld aan haar kunnen nemen. Maar wie ben ik om iets over haar loopstijl te zeggen terwijl ikzelf als de Dood van Pierlala achter haar aan liep te sjokken?

Ook over die laatste vier kilometers richting Nijmegen kan ik kort zijn. Twee moeizame kilometers werden gevolgd door twee opvallend goede – het was duidelijk dat ik de stal rook en dat de finish rap naderbij kwam. Soepeltjes had ik de Aziatische gelost en liep nu een tijdje in het kielzog van een paardenstaart met een dansend motiefje op schofthoogte, gelijk die zebra van twee jaar geleden. Het bracht mij in de juiste trance om in een steady tempo richting de finishmatten te snellen. Het talrijke publiek moedigde mij hartstochtelijk aan terwijl ik de 100- en later 50-meter bordjes passeerde en de verlossing steeds dichterbij kwam. Uitgeput passeerde ik de finishmatten, en drukte mijn klokje in op een tijd die ik niet zal noemen – laat ik het er op houden dat het inderdaad de verwachte Personal Worst was.

Desondanks kon ik tevreden zijn met mijn prestatie, vooral gezien mijn fysieke toestand. De strijd was gestreden, het leed was geleden. De EHBO’ers van dienst keken even bezorgd naar mij, maar zij zagen uiteindelijk dat het goed was. Vermoeid liet ik mij een houten(!) medaille aanreiken, gevolgd door een flinke flacon Isostar Smart Recovery. Dat had ik inderdaad wel nodig: een intelligent herstel. Daarna was het weer een onmogelijk eind doorlopen naar dat verrekte Keizer Karelplein en naar die al even verrekte Isatis-herberg. Inmiddels liep ik te shaken van de kou in mijn natte goed. Bij de garage aangekomen bleek mijn schrandere telefoon opeens wèl bereik te hebben. Goed en snel werk van T-Mobile! Het toestelletje vertelde mij onder andere dat zowel Jaco als Cristian krankzinnige prestaties hadden geleverd en beiden op een Personal Best waren uitgekomen. Waarvoor heel veel hulde en respect.

Rustig kleedde ik mij om, verliet de parkeergarage en spoedde mij naar de treinen. Godzijdank bemachtigde ik in de Intercity naar Den Helder een zitplaatsje. Naast mij zaten een vader en dochter uit Leiden, die zo te horen samen een leuke hardloopdag hadden gehad. Tegenover mij zat een vrouw die zich zichtbaar zat te ergeren aan al die stinkende en luid orerende hardlopers. Sorry for that Milady. Relaxed bereikte ik Utrecht, en na een noodzakelijk patatje pindasaus bij de Smullers vervoerde een volgende Intercity mij naar mijn geliefde woonplaats. Het was een mooie dag geweest, met mooie ontmoetingen en belevenissen – en daar gaat het tenslotte om. Het was vooral ook een dag van enorm afzien, maar ondanks alle ontberingen toch de verlossende eindstreep halen.

Uiteraard draag ik mijn deelname ook dit keer weer op aan mijn lieve dappere moeder – zolang ik de Zevenheuvelen blijf bedwingen zal ik dat blijven doen. Het is nu twee jaar geleden dat je van ons heenging, en het doet nog steeds pijn. De Zevenheuvelenloop vindt plaats omstreeks jouw verjaardag en jouw sterfdag. Ik ben dan vol Mnemosyne, vol herinneringen. Het valt niet meer los te zien. This one’s for you Mom!

Mijn verhaal draag ik ditmaal op aan mijn Opa de Haan, arts, dichter, schrijver, schaker, wandelaar en nog heel veel meer. Al bijna 27 jaar moeten wij jou missen, maar toch voel ik jouw nabijheid vaak. Zeker als het weer Vierdaagse-tijd is. Ik ben dan vol Mnemosyne, vol herinneringen. Met dank voor alle inspiratie: this one’s for you Opa!

Foto's bij deze blogpost

20191117_113833.jpg

Mijn eerste 7-heuvelenloop (3 reacties)

Gepost door Cristian Hermelink op vrijdag 22 november 2019 10:16

Evenals collega blogger Jaco is het voor mij ook een tijdje geleden dat ik een hardloopverslagje heb geproduceerd. Nu komt dit ook omdat ik na mijn laatste wedstrijd in mei voornamelijk getraind heb en geen wedstrijden heb gelopen. Doel was om begin september de 10km bij het loopfestijn Dalfsen te lopen en dan dicht bij of misschien wel net onder de 40 minuten te eindigen. Een fikse verkoudheid gooide echter roet in het eten.
De zeven heuvelenloop in mijn studiestad Nijmegen. Jarenlang loop ik elk najaar te wikken en te wegen of ik hem dat jaar zal doen. Zoals voor de vaste lezers bekend ben ik niet zo’n fan van die massale loopfeesten. Maar toen ben ik een beetje naar de uitslagen gaan kijken en zag ik dat ik met mijn huidige niveau toch redelijk vooraan kan starten en rond de 1200ste positie zou kunnen finishen.
Ik wou de trainingen op snelheid de voorgaande maanden toch tot uiting laten komen in een race en nadat ik had begrepen dat ook Jaco en Peter van de partij zouden zijn heb ik me toch ingeschreven voor het snelste 15km parcours ter wereld.
De reis naar het mooie Nijmegen begon niet zo prettig. Het boemeltje naar Zutphen zat echt hutjemutje stampensvol. Er was, zo begreep ik achteraf, uitval op een ander traject dus veel mensen moesten omreizen. Het gevolg was dat het natuurlijk bloedheet en benauwd werd. Ik stapte dan ook in Zutphen uit met een behoorlijk onpasselijk gevoel. Voelde me dusdanig dat ik een goede race wel kon vergeten.
De aansluitende intercity was echter normaal bezet en na een half uurtje rustig zitten met frisse lucht en met een half litertje vocht het gezweet in de boemel gecompenseerd te hebben knapte ik gelukkig behoorlijk op. Aangekomen in Nijmegen had ik gelukkig ook nog twee uurtjes tot de start.
Na 20 minuutjes wachten waren ook Jaco en Peter gearriveerd en na een korte kennismaking liepen we gezamenlijk richting Keizer Karelplein naar de diverse omkleedfaciliteiten. Vond het leuk om Peter nu ook in levende lijve ontmoet te hebben. Misschien kan ik hem volgend jaar nog boeken voor een sightseeing wandeling door Gouda. Ik overnacht op 4 april in Gouda want ik ga DE marathon lopen de volgende dag.
Na nog even gezellig kletsen en een leuke foto gingen we alle drie naar onze kleedkamer. Ik voelde me gelukkig steeds fitter worden en tijdens mijn warming-up voelde ik dat het goed zat. Ik was een kwartiertje voor de start in het blauwe vak en liep nog lekker een paar rondjes met de meute mee in het vak. Daarna kon ik nog een plekje in de zon vinden en heb ik nog wat rek en strek oefeningen gedaan. Goed luisterend naar de mensen om mij heen zocht ik een plekje die bij mij ambitie zou passen. Ik hoorde een jongen achter mij zeggen dat die op 56-minuten weg wou. Ik liet hem met een brede glimlach voor mij komen. Hij zag dit en zei dat ik niet naar achteren moest gaan, maar zoals Eliud Kipchoge groot moet dromen. Ik zei dat ik dat ook wel doe ,maar dat het gat van mijn PR naar 56 minuten wel heel groot is.
Mijn doelstelling vandaag was 1:02. Mijn officiële PR staat op 1:05:30 gelopen in 2015, maar twee jaar geleden kwam ik tijden een halve marathon al een op 1:04 door. Dit betekend een gemiddelde van 4:08/km. Als ik de eerste 11km onder de 47 minuten kan houden, dan kan ik in de laatste 4km nog wel tijd terugpakken had ik me bedacht.
Eindelijk de wedstrijdlopers worden weggeschoten en na een minuut of 4 passeer ik ook de start. De eerste ca. 2,5km zijn vlak en ik investeer hier door onder de 4:08 te lopen. De eerste 3km gaan in 12:07 en loop 17 seconden voor op schema. Nu komen echter twee klim kilometers, maar deze loop ik makkelijke omhoog dan gedacht. De regelmatige heuveltraining op de Sallandse heuvelrug betaald zich uit. De eerste 5km gaan hierdoor in 20:31.
Na 6,5km wil ik een loper inhalen en op het moment van voorbijgaan wijkt hij uit, waarvoor geen idee. Echter ik moet een rare bokkesprong maken om hem niet omver te lopen en er schiet een pijnscheut door mijn linker hamstring. Ik moet uiteraard even terug in tempo en beweeg me naar de rechterkant van de weg waar de langzamere lopers zouden moeten lopen. Ik ga lopen op de pijngrens die mijn hamstring aangeeft en verwacht dat ik nu wel aan alle kanten voorbij gelopen zou worden. Dit bleek echter niet het geval. Kilometers 6 en 7 bevatten nog wel redelijk wat daling, maar op het 7-km punt zag ik dat ik zelfs weer wat tijd had gewonnen op mijn schema.
Kilometer 7 begint met een fel stukje klimmen en gek genoeg ging me dat qua pijn beter af. Maar na een steile klim volgt vaak ook een steile daling. Daar moest ik me toch wel inhouden en heel geconcentreerd mijn voeten neerzetten. Hetzelfde gold voor de overige twee steile, maar korte beklimmingen. In kilometers 8 en 9. Kilometer 10 gaat netto naar beneden en ik kon hier gelukkig al weer wat sneller dalen.
Ik bereik het 10km punt in 40:42, dit is 6 seconden sneller dan mijn huidige 10km PR en ook bijna 40 seconden voor op het schema van 1:02. Nu nog de 11de kilometer. Ik vind het van New Balance wel heel netjes dat ze prijzen weggeven voor de recreatieve lopers in plaats van dat de prestatie gerichte lopers weer met de prijzen vandoor gaan. Degene die km 11 relatief het snelst zou bedwingen maakte kans op een paar schoenen. Het lijkt mij dat geen enkele prestatiegerichte loper km 11 als zijn snelste km zal hebben.
Maar goed, zelf loop ik deze km in 4:13 omhoog en na nog een klein stukje vals plat begint de afdaling naar Nijmegen. Ik maak me nog steeds wat zorgen om mijn hamstring en begin voorzichtig. Ik concentreer me op elke stap en heel rustig aan versnel ik steeds wat door. Km 12-13 en 14 gaan in 4:02-3:51 en 3:37. Eind km 14 beginnen ook de kuiten en bovenbenen een beetje vol te lopen en ik moet heel iets temporiseren, maar die laatste km weet ik natuurlijk al dat er een vet PR zit aan te komen en met een brede glimlach volbreng ik deze alsnog in 3:48 en kom ik in 1:00:20 over de streep.
Helemaal verbaasd over deze tijd wacht ik op Jaco. In die paar minuten schiet heel even de gedachte “wat als mijn hamstring” door mijn hoofd , maar die laat ik gauw los en al genietend van mij tijd zie ik Jaco binnen komen en ook hij heeft zijn PR verbeterd. Gezamenlijk met een kennis van Jaco lopen we richting kleedruimtes en onderweg krijgen we onze houten medaille omgehangen en nemen we afscheid.
Hoewel het tijdens de race allemaal behoorlijk gecontroleerd voelde heb ik nog 3 dagen kunnen nagenieten van een fikse spierpijn. Had bijna het idee dat ik na de Enschede marathon minder spierpijn had. Maar goed nu 5 daagjes later voelt alles we weer okay.
Nu lekker toewerken naar mijn jaarlijks afsluitende halve marathon in Borne, die niet meer op deze site als verslag zal komen, en dan de Road to Rotterdam waarbij de doelstelling finishen binnen de 3uur en 15minuten is.

HOE ALLES BIJ ELKAAR KWAM IN NIJMEGEN (3 reacties)

Gepost door Jaco Rip op maandag 18 november 2019 21:57

Het is alweer een tijd geleden dat er iets van mijn hand is verschenen op deze illustere site. En hoogstwaarschijnlijk wordt het ook de laatste keer dat er iets van mijn hand verschijnt op deze site. Niet omdat ik stop met hardlopen, maar helaas omdat over anderhalve maand ons aller looptijden.nl uit de lucht gaat. Vandaar dat ik (en hopelijk ook mijn hardloopkameraden) nog iets op dit dierbare stukje internet zal plaatsen.

Goed, waar te beginnen? Een eenduidig startpunt is soms wat moeilijk te ontdekken. Zal ik beginnen bij het begin van het hele traject richting de Zevenheuvelenloop of neem ik alleen de dag van handeling mee in mijn verslag? Na een tijdje wikken en wegen koos ik toch voor het laatste. Zondag 17 november bood mij al voldoende materiaal om een interessante, maar prettig leesbare blog te produceren. Hier gaan we dan…..

Het was zondagmorgen, 8 uur. Normaal vind ik dit als avondmens een gruwelijk tijdstip om op te staan, maar nu was ik al een half uur wakker (wedstrijdspanning wellicht?) en was ik druk bezig met de laatste voorbereidingen alvorens ik op reis zou gaan naar Nijmegen, de stad waar het vandaag allemaal zou gebeuren. Ik had mijn loopkledij al aangetrokken (korte broek en t-shirt) en had de schone kleren al ingepakt, terwijl er in de grote sporttas verder wat eet- en drinkbare doping (bron: Peter de Haan) zat. Het gevoel van wedstrijdspanning was ontegenzeglijk al aanwezig, want ik had stoute plannen voor vanmiddag. Mijn PR van 1’03’21 was door de uiterst soepele trainingen van de voorafgaande week ineens een haalbaar doel geworden, maar U kent dat wel, dat gevoel in de laatste uren voor een race. Twijfels raasden door mijn hoofd: gaan mijn benen wel meewerken? Gaat dat vals plat tot km 5 niet teveel van het goede blijken? Hoe kom ik tegen die laatste helling tussen 10 en 11 km op? Eén en al onzekerheid stapelde zich in mijn lichaam op.

Om 09.00 stipt vertrok ik dan in mijn betrouwbare vierwieler richting Bergen op Zoom. Een klein half uurtje later was ik gearriveerd en kon ik op de trein wachten die mij naar Roosendaal zou brengen, alwaar ik de intercity kon pakken die mij rechtstreeks naar Nijmegen zou vervoeren. Ondertussen had ik in een appje al goed nieuws vernomen: hardloopkameraad Peter zou ook deelnemen aan dezelfde illustere loop als ik, ondanks een voorafgaande periode gevuld met verkoudheid. Tel daarbij op dat ook hardloopvriend Cristian naar Nijmegen zou komen en de plannen voor een meeting waren al snel gemaakt. Mocht de race dus tegenvallen, dan was het samenkomen voorafgaand in ieder geval al iets positiefs op deze dag.

Vanuit Roosendaal, waar ik de aansluitende trein met een kleine tussensprint nog kon betreden (tja, vertragingen zullen er altijd zijn), werd alle lopers bij zo’n beetje ieder station een hart onder de riem gestoken door de conducteur, die ons allemaal ontzettend veel succes wenste. Dat doet een mens goed! Op de door mij vooraf geplande tijden nam ik wat boterhammen en sportdrank in, zodat ik optimaal geprepareerd aan de start zou verschijnen. Voor ik het wist waren we in Nijmegen en begon de grote uittocht. Ik liep snel, maar gecontroleerd richting de Starbucks waar ik met mijn kompanen had afgesproken. Al snel ontwaarde ik Peter, waarbij de begroeting weer bijzonder hartelijk was. Pal daarna arriveerde Cristian, zodat de drie musketiers compleet waren. Gezamenlijk liepen wij het station uit richting de kleedkamers/garages.

Eenmaal het station uit ontvouwt zich ieder jaar hetzelfde schouwspel voor je. Hardlopers zover het oog reikt en de Zevenheuvelenexpo, waar je je iedere keer weer in de fuik laat lokken met hardloopartikelen aan weerszijden, die bijna erom schreeuwen om gekocht te worden. Toch lukte het ons om ons af te sluiten voor al die smeekbeden en stonden we even later aan de rand van de Keizer Karel-rotonde, waar het feest dan echt begint. Omdat wij alle drie in een andere kleedruimte werden verwacht (ivm ons startnummer), stonden we nog even te praten over onze verwachtingen en wist Peter nog iemand te overtuigen om ons drietal op de gevoelige plaat vast te leggen. Daarna namen we afscheid van elkaar, met de belofte om contact te houden. Nu ging het zenuwenspel pas echt beginnen!

Ik liep naar de parkeergarage van de ABN/AMRO, waar ik mij op deze dag kon omkleden en mijn tas kon achterlaten. Ik nam alle tijd om de laatste voorbereidingen te treffen en wat toevallig aanwezige bekende hardlopers uit mijn regio te begroeten en succes te wensen. Na een laatste toiletgang werd het dan echt tijd om warm te gaan lopen, want er was nog minder dan 25 minuten te gaan tot de officiële start. Ik liep wat heen en weer in de zijstraten van de Groesbeekseweg, met toch een onzeker gevoel. De benen voelden nog best wel zwaar aan, wat mijn gemoed niet verbeterde. Het weer was gelukkig wel nagenoeg ideaal, met 7 graden, weinig wind en af en toe een flauw zonnetje. Na zo’n 10 minuten opwarmen werd het tijd om mijn startvak (geel) op te zoeken. Met een ietwat onzeker, maar toch ook vastberaden gevoel stapte ik het vak in. Het was tijd om te knallen!

Daar stond ik dan, in mijn vak om 12.55. Ik schuifelde stiekem steeds een beetje verder naar voren, want ondanks alle twijfels had ik nog steeds dat PR van 1’03’21 in mijn hoofd. Het moment van vertrek kwam steeds dichterbij, terwijl ik nog met wat medelopers om mij heen in gesprek raakte. Op het moment dat de absolute top op weg ging had ik het idee dat ik veel dichterbij de startstreep stond dan voorgaande keren. Dit leek ook te kloppen, toen we na ruim 5 minuten door de zandloperstart werden gelaten en ik na ruim 6 minuten over de startstreep ging. Het spel was nu echt begonnen……

Daar liep ik dan, omringd door honderden andere lopers en loopsters die ongeveer hetzelfde tempo als ikzelf liepen. Desondanks had ik het idee dat ik nog redelijk veel mensen voorbij ging, terwijl een paar anderen mij hun hielen lieten zien. Ik liep ontspannen, maar dat was ook te verwachten op dit eerste stuk dat licht omlaag liep. In een mum van tijd waren de matten van het 1k-punt bereikt, wat voor mij in de uiterst snelle tijd van 4’03 gebeurde! Km 2 ging wat langzamer, maar dat maakte mij niets uit. Zolang ik het gevoel van ontspanning maar vast kon houden, zat ik goed. Aangezien er tegenwoordig bij ieder km-punt matten liggen waar je tussentijd op geregistreerd wordt, voelde het voor mij ontzettend fijn. Op deze manier was het mentaal veel makkelijker om van kilometer naar kilometer te lopen, in tegenstelling tot de twee voorgaande keren toen de matten om de 5k op de weg lagen. Het stuk wat ik vooraf behoorlijk gevreesd had (het vals plat tussen 2.5 en 5k) leek nu dan ook redelijk voorbij te vliegen. Ik had vooraf gehoopt op een doorkomsttijd van tussen de 21’30 en 21’45, dus was ik nu blij verrast met een tijd van 21’20 terwijl ik nog behoorlijk ontspannen liep. Op naar het tweede stuk!

Het tweede blok van 5k, waar ik hoopte ongeveer 21’15-21’30 over te doen, omvatte de mythische Zevenheuvelenweg. Voordat die beproeving in beeld komt, moet je eerst nog over de Derdebaan, waar je na 6k de eerste verzorgingspost aantreft. De vorige keren pakte ik daar ook een bekertje aan, maar nu niet. Het weer was namelijk dusdanig ideaal dat ik totaal geen behoefte had aan wat vocht wat bovendien altijd gehannes oplevert met het plastic bekertje waarin het wordt aangereikt. Op mijn eigen manier was ik dus zeer milieubewust bezig. Niet lang daarna werd het punt van 7k bereikt, wat precies bij de afslag naar links is die alle lopers (en loopsters!) naar de Zevenheuvelenweg voert. Ik was ondertussen een half uur onderweg en bij de eerste lichte afdaling richting de eerste echte bult passeerde ik de 7.5k in 31’43, wat mij zeer verheugde. Voor mijn gevoel had ik namelijk al de zwaarste helft van het parcours gehad en liep ik nagenoeg bovenop het schema van mijn PR! De heuvels kwamen nu echt in rap tempo dichterbij. Ik liep hard, maar verstandig omhoog. De hartslag kwam nu af en toe wel gevaarlijk dicht bij mijn omslagpunt (175), maar iedere keer dat ik weer heuvelafwaarts ging daalde deze ook precies genoeg om het gevoel van ontspanning vast te houden. Binnen 10 minuten was ik dan ook deze bron van onzekerheid over mijn doelstelling gepasseerd, waarna ik bij de drankpost na 9.5k een noviteit op mijn pad vond. De organisatie had namelijk een proef georganiseerd met een nieuwe vorm van sportdrank-inname, te weten de Ooho. Dit was een klein bolletje van zeewier, dat gevuld was met een kleine hoeveelheid AA Drink Iso-Lemon (sorry voor de onvervalste reclame). Ik pakte dit bolletje gretig, maar voorzichtig aan en werkte het bolletje in één vloeiende beweging naar binnen. Het effect was verfrissend en bovenal, er was geen sprake van onhandig klotsende vloeistof uit een bekertje! Ik liep vol vertrouwen en met krachtige pas door naar de 10k, waar de doorkomsttijd wederom een positief gevoel gaf: 42’20!

De laatste hindernis lag nu voor me, de laatste klim van 1000 meter. Ook hier was iets nieuws verzonnen door de organisatie. De 10 mannen en vrouwen die relatief het snelst deze klim bedwongen zouden een gratis paar schoenen van New Balance ontvangen. Ik maakte mij hier geen illusies over, dus deed ik gewoon wat ik al de hele race deed, zo hard mogelijk tegen die heuvel opknallen! Ook hier passeerde mijn persoontje nog aardig wat renners, zodat ik dat machtige gevoel in mijn benen alleen maar sterker voelde. Bovenop de laatste heuvel kwam ik door in 46’47, wat betekende dat ik de kilometer in 4’27 had bedwongen! Zo snel was ik nog nooit gegaan. Ik voelde aan alles dat ik mijn PR ging verbeteren. Het makkelijke stuk zou nu immers aanvangen. Ik versnelde mijn pasritme licht, zodat het tempo wat ik al de hele tijd had volgehouden nu nog wat verder steeg. De volgende kilometers gingen dan ook in 4’02, waarbij ik als fijne bonus had dat ik net voor het punt van 13k nog een bekende atlete uit mijn regio achterhaalde, die (zo bleek later) ruim 4 minuten voor mij over de startlijn was gegaan! Ik spoorde af en toe de toeschouwers aan om nog wat meer lawaai te maken, wat ze met enige regelmaat ook prima deden, zelfs met het laten vergezellen van mijn naam, die op mijn startnummer was gedrukt. Ik stormde dan ook de laatste 2k in en kreeg echt een gevoel van lichte euforie toen ik op het 14k-punt een tussentijd zag van 58’56 zag, zo hard had ik nog nooit gelopen! De laatste kilometer was een kwestie van aftellen en toen ik de Groesbeekseweg weer opliep, voelde ik intense blijdschap. Ik ging mijn grenzen weer verleggen! Met een allerlaatste inspanning kwam ik over de finish in een tijd van 1’02’46, een PR met 35 seconden. Pal daarna trof ik tot mijn grote blijdschap Cristian, die mij vertelde dat ook hij al zijn grenzen verlegd had. Zijn tijd deed mijn mond wijd open vallen, 1’00’21! Wat een wereldprestatie. We liepen gezamenlijk door naar onze kleedruimtes, terwijl we ondertussen onze welverdiende medailles (van hout, hoezo milieuvriendelijk?) in ontvangst namen. Niet lang daarna namen we afscheid en werd het tijd voor mij om me om te kleden en de reis huiswaarts aan te vangen. Het was een gedenkwaardige dag geworden!

En nu is het dan zover, ik ga een eind aan dit epistel breien. Ik wil alle mensen die in de afgelopen jaren mijn verhalen hebben gelezen en er op hebben gereageerd ontzettend bedanken. Misschien kom ik jullie nog weleens tegen, hetzij in levende lijve, hetzij via een andere internetsite. Ik wens jullie allemaal het allerbeste op loopgebied en natuurlijk ook bij het leven in het algemeen!

Met weemoedige groet, Jaco.

Jongens waren we (2 reacties)

Gepost door Arranraja op woensdag 13 november 2019 19:35

Rijk geïllustreerd te bezichtigen op: https://arranraja.wordpress.com/2019/11/13/jongens-waren-we/

Door het Oosterpark in Amsterdam wandelde ik naar het Onze Lieve Vrouwe-Gasthuis (OLVG). Daar had ik een eerste afspraak bij de polikliniek orthopedie om eens nader te laten kijken naar mijn reeds maanden spelende rugkwetsuur. Een blessure die mij inmiddels al vele weken aan de kant houdt als het gaat om hardlopen.

Aan die zuidkant van het mooi groene, maar op dat moment behoorlijk vochtige stadspark, zijn twee landelijk bekende monumenten te vinden. Om te beginnen het monument ‘De Schreeuw’ ter ere van Theo van Gogh, die alweer 15 jaar geleden op steenworp afstand (in de Linneausstraat) op gruwelijke wijze van het leven beroofd werd. En het dichtst bij het eerder genoemde ziekenhuis staat de grote beeldengroep die jaarlijks het middelpunt is van de belangrijke bijeenkomst ter nagedachtenis aan het vaderlandse slavernijverleden. Mijn oog werd echter vooral getroffen door het bescheidener kunstwerk er ergens tussenin aan hetzelfde pad. Een beeldengroepje op een rechthoekige sokkel met drie mannen een beetje onderuitgezakt zittend op een bankje. Het onderwerp van het afgebeelde werd mij snel duidelijk door de teksten op het voetstuk: DE TITAANTJES, Jongens waren we - maar aardige jongens, Nescio 1882 - 1961. Dit kunstwerk uit 1971 staat blijkbaar al jaren op deze plek. Ik ben er in het verleden menigmaal langsgekomen, fietsend of wandelend op weg naar de iets verderop gelegen sporthal waar ik mijn basketballwedstrijden pleegde af te werken. Hoewel ik het bescheiden oeuvre van deze schrijver wel kende en voor een groot deel ook gelezen heb, had het mij toen toch beduidend minder zeggingskracht dan heden-ten-dage.

Een kort citaat uit ‘Titaantjes’:

‘En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees, die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker wisten nergens van. Die zaten op de steenen onder aan den zeedijk met de oogen half dicht en keken tusschen hun oogharen door naar de dansende gouden pijltjes die de zon in 't water maakte’.

Ik denk dan uiteraard direct aan de Diemerzeedijk ter hoogte van het Diemerpark. Niet voor niets heet de fiets-, wandel- en hardloopbrug die op die hoogte over het begin van het Amsterdam-Rijnkanaal hangt de ‘NESCIOBRUG’. Trouwe lezers van mijn verhalen hebben die naam al ontelbare malen zien langskomen. En die brug is weer de naamgever en het centrale punt van de Nescioloop, waar ik ook geregeld melding van heb gemaakt. Jarenlang stond een uitgebreid citaat uit ‘Titaantjes’ op de website van deze ‘Leukste loop van Amsterdam-Oost’. Ergens in het Diemerpark zou dat Titaantjeskunstwerk naar mijn idee veel meer op de juiste plaats zijn dan in het Oosterpark. Maar het beeldhouwwerk is dus uit 1971 en toen bestond het Diemerpark nog niet in zijn huidige vorm. Sterker nog, het was daar tot 1973 een vuilstortplaats, die ervoor zou zorgen dat rondom dit stuk Diemerzeedijk zich een van de meest vervuilde stukken grond van Nederland bevindt. Alle afval schijnt nu veilig te zijn ingepakt. Sowieso zijn er in het Diemerpark bij mijn weten weinig of geen kunstwerken te bewonderen. De schrijver van de Titaantjes woonde zelf op meerdere plaatsen in Amsterdam-Oost, onder andere ook niet al te ver van het Oosterpark. Om die reden dan wel begrijpelijk dat deze auteur daar geëerd wordt.

Ergens tussen dat park en het Diemerpark ligt het Flevopark. Een korte brug ernaartoe vanuit de aangrenzende Indische buurt blijkt tegenwoordig de ‘Titaantjesbrug’ te heten. Tot 2016 werd deze brug alleen aangeduid als brug nr. 196. Die aardige jongens zijn dus alom vertegenwoordigd in de contreien waar ik (althans voorheen) pleeg(de) hard te lopen. Terwijl dit schrijfsel reeds in de steigers stond, besloot ik op een min-of-meer zonnige dag naar het Flevopark te fietsen. Mijn doel was een paar foto's te schieten van deze Titaantjesbrug, te gebruiken voor dit epos. Op de terugweg kwam op de Oosterringdijk (rond 1915 genaamd ‘Sintelweg’) de succesvolle schrijver Herman Koch mij in renkleding tegemoet wandelen. Ook al zo’n een aardige jongen, die ongetwijfeld net zijn vaste rondje had gerend, waarbij hij steevast over de Nesciobrug komt. Hiermee was voor mij de cirkel aardig rond. Jan Hendrik Frederik Grönloh, de persoon achter het pseudoniem Nescio, heeft hier ongetwijfeld ook gewandeld. Hij woonde namelijk op verschillende plekken in de directe omgeving, waaronder de Transvaalkade en de Linneaushof. ‘Gewandeld’, schrijf ik nadrukkelijk, want hardlopen was toentertijd nog niet echt in de mode en in zijn verhalen maakt de auteur daar, voor zover ik weet, dan ook geen gewag van. De Titaantjes, zo stel ik mij voor, maakten wandelingen de toenmalige stad Amsterdam uit. En gingen vervolgens op een bankje zitten ergens op de Diemer(zee)dijk, om over het water van Het IJ of de Zuiderzee uit te kijken en te mijmeren. Toen ik een paar dagen later samen met mijn vrouw aan het wandelen was in het Diemerpark op wat ik noem ‘Hermans Kattenpad’, voer op het kanaalwater direct ernaast de duwboot Titan voorbij. Toepasselijker had ik het zelf echt niet kunnen verzinnen.

Waarom nu dit verhaal over Nescio en zijn Titaantjes? Voor een deel zal mijn associatie, naar ik aanneem en hopen mag wel al duidelijk zijn. Nescio schrijft dus ‘Jongens waren we - maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf’. Dan denk ik direct aan hardlopers. En ook aan hardloopsters trouwens. Dus waar ‘jongens’ staat zou net zo goed ‘meisjes gelezen’ kunnen worden. Overigens impliceert die ‘maar’ dat jongens normaal gesproken niet aardig zijn. En daar ben ik het vanzelfsprekend totaal niet mee eens. Hardlopers in het algemeen en Looptijdenmakkers als Peter, Jaco, Jan en Cristian in het bijzonder, zijn uiterst aardige, toegankelijke mensen die iedere ‘collega’ vriendelijk bejegenen en elke loper in zijn of haar waarde laten. Zoals dat onder hardlopers in het algemeen trouwens de gewoonlijke usance is. Maar dat hoef ik voor ingewijden uiteraard niet meer uit de doeken te doen. Ik had het idee voor dit relaas al een tijdje vaag in mijn achterhoofd en de aanblik van het eerder genoemde kunstwerk in het Oosterpark bracht dit plan weer naar de voorkant en direct aansluitend ten uitvoer.

Wachtend tot ik in het OLVG werd opgeroepen voor het consult bij de orthopedisch chirurg, las ik een verhaaltje dat ik toevallig nog had openstaan op mijn telefoon. Het is afkomstig uit het interessante boek 'Mythische runs in de wereld' van Lonely Planet. Het tijdschrift Runner’s World mag daar enkele stukken uit publiceren op hun site. Dit relaas ging over de ‘Comrades Marathon’, een loodzware ultraloop in Zuid-Afrika. De naam geeft het al aan, de ‘Marathon der kameraden’, tijdens welke lopers elkaar op alle mogelijke manieren helpen. Toespreken, aanmoedigen, uitnodigen om samen te lopen, eten en drinken delen en desnoods een makker over de finish heen slepen. Bijzonder aardige jongens en meisjes derhalve. Zo ver hebben bijvoorbeeld vriend Peter en ondergetekende nog nooit hoeven gaan bij een willekeurige loop. Maar en route gezellig een praatje maken, enthousiasmeren en als haas fungeren, ergo op sleeptouw nemen. Daar zien wij geen been in, daar draaien wij onze handen niet voor om. Jongens waren wij en zijn wij, aardige jongens, al schrijf ik het zelf.

Het woord ‘Titaan’ of ‘Titan’ is afkomstig uit de Griekse mythologie en duidt in het gewone spraakgebruik op een reusachtig, geweldig krachtig persoon. In het werk van Nescio ‘gaat het steeds om een jonge vriendengroep van onpraktische artistiekelingen, die achteraf worden geportretteerd met de nostalgie die toegenomen mensenkennis en levenservaring meebrengt, zonder dat aan dat latere gezichtspunt grotere wijsheid of anderszins superioriteit wordt toegekend’ (Wikipedia). Titanen in miniatuurformaat zou je kunnen zeggen. De Titanen waren reuzen, ware hemelbestormers. Wij (inmiddels al wat oudere) hardloopjongens zijn dat hooguit in het diepst van onze gedachten of in onze stoutste dromen. Op en rond de renparcoursen zijn wij simpelweg heel aardige jongens en meisjes, die hun passie bijzonder graag met gelijkgestemden delen. En als ik voor mijzelf spreek, ga ik er gewoon graag al dravend op uit, naar buiten dezelfde paden op en dito lanen in waar Nescio’s Titaantjes zich eveneens graag ophielden.

Uit het bezoek aan de orthopeed is mij voorlopig alleen duidelijk geworden dat een viertal rugwervels anders van vorm is dan de rest. En blijkbaar afwijkt van wat de bedoeling zou moeten zijn. Een CT-scan zal meer licht op de zaak moeten werpen. Tot die tijd ben ik aan de grond genageld waar het rennen betreft. Want de arts die ik sprak, raadde het hardlopen ten zeerste af vanwege de hoge belasting van de ruggengraat. Vanzelfsprekend hoop ik dat alles toch nog met een sisser zal aflopen en dat ik de renschoenen weer zal kunnen onderbinden voor fijne duurlopen, de Titaantjes achterna. Ik zal jullie op de hoogte houden van het vervolg. Overigens houd ik er ook serieus rekening mee dat mijn hardloopbaan ten einde is gekomen. Gelukkig heb ik ook al een alternatief, een plan-B in mijn hoofd. Maar daarover wellicht later meer.

Zie Ginds komt de Stoombootweg (2 reacties)

Gepost door Peter de Haan op zaterdag 19 oktober 2019 00:23

Al ten tijde van de Goudse Singelloop gonsde het van de geruchten. Weeronline had in al zijn wijsheid aangegeven dat de Dam-tot-Damloop – negen dagen later, op 22 september - onder hoogzomerse omstandigheden zou worden gehouden. En dat terwijl de kristallen bol van hetzelfde Weeronline niet eens bij machte is om een buitje twee uur vooruit fatsoenlijk te voorspellen. Zó vaak ben ik al bedrogen uitgekomen: zeiknat regenen zonder paraplu, of juist zeulend met het regenscherm door een immense zonkracht worden getroffen. Menigmaal heb ik op het punt gestaan deze gemankeerde virtuele weerprofeet voor het gerecht te slepen. Er was ook ditmaal alle reden om de DtD-voorspellingen met een flinke berg zout te nemen. Maar de elektronische weeralmanak bleef gedurende de hele week consistent in haar beweringen: zonnig en warm zou het worden daar tussen Amster- en Zaandam. Zouden ze dan tòch gelijk gaan krijgen?

Een Dam-tot-Dam met droog en zonnig weer: dat zijn toch wel de beste condities voor een onvergetelijk hardloop- en volksspektakel. Vorig jaar zeek het continu van de regen en was de inheemse bevolking van Amsterdam-Noord en Zaandam nauwelijk bereid om uit hun stulp te kruipen. Hier en daar langs het parcours stonden stijf gesloten partytenten. Daarin werden ongetwijfeld héél bijzondere feestjes gevierd, maar die hadden weinig tot niets met de hardloopwedstrijd te maken. Slechts een enkeling vervoegde zich buitenshuis om onder Moeder’s Paraplu het peloton gade te slaan. Maar binnen de kortste keren trok diezelfde enkeling zich weer schielijk en veilig terug onder Moeder's Rokken in het warme huisje - waar het hopelijk verder droog was. Nu echter zou er geen enkel excuus meer zijn voor de inboorlingen om zich niet te vergapen aan al die prachtige atleten en atletes op weg van Dam naar Dam.

In mijn vorige zwetsverhaal deed ik er al kond van. Twee dagen na het memorabele Goudse Singelfestijn werkte ik onder leiding van GR-oprichter Hans een 9km hersteltraining af door de polders bij Reeuwijk. Zoals ik al vreesde kreeg ik nog even de volle laag over mijn handel en wandel op de gewraakte vrijdagavond. Streng doch meedogenloos voegde Hans mij toe dat het lopen in nylon vlaggen niet iets is dat bij de Goudse Runnersetiquette past. Fijntjes wees hij mij daarbij op mijn gebrekkige looptechniek, race-indeling en ademhaling tijdens de marteltocht door de Goudse binnenstad. Deemoedig boog ik het hoofd en onderwierp me aan de verder rustige uitlooptraining. Hierbij werd ik meewarig dan wel grijnzend aangestaard door mijn mederunners. Van je vrienden moet je het maar hebben, nietwaar?

Op diezelfde zondag moest ik - ditmaal met Elfriede - nogmaals flink in de hoeven bij een heuse Nordic-Walking clinic. Deze clinic werd gegeven vanaf de hut van de Langlaufvereniging Gouda. Een vriendin vierde op deze speciale wijze haar zestigste verjaardag: een leuk groepsinitiatief waar mijn lief en ik ons met graagte aan overgaven. In twee middagsessies van één uur werden wij onderwezen in de basisbeginselen van deze bijzondere manier van wandelen-met-stokken. Weer eens een heel andere vorm van loopscholing zeg maar. Het kostte mij verdorie veel moeite om die principes enigszins onder de knie te krijgen. I’m getting on a bit, you know? Maar ik liet mij niet kennen en dat werd uiteindelijk toch wel gewaardeerd.

Gedurende de hele week erna bereidde ik mij vooral mentaal voor op de verschrikkingen die mij die zondag zouden wachten. Overigens zou het de vijfde achtereenvolgende keer zijn dat ik mij aan dit spektakel ging wagen. Een lustrum-editie dus. Vrijdags had ik mijn dochters (twee stuks) uitgenodigd voor een huiselijk festijn dat hopelijk óók gaat uitgroeien tot een fraaie traditie. Eerst werd een waar kannibalenmaal aangericht in de vorm van Coq au Vin met toebehoren. Deze schranspartij werd naadloos gevolgd door een exclusieve vertoning van de lievelingsfilm van zowel vaderlief als dochterlieven: Le Fabuleux Destin d’Amélie Poulin, kortweg Amélie. Ik weet het: die voorliefde zegt veel over ons, en zeker indien U de film kent zult U dat grif beamen. Onze partners (elk ééntje, dus drie stuks tezamen) worden bij dit evenement gedoogd: op deze manier krijgen zij immers een nóg beter inkijkje in wat ons Haantjes bezielt en kunnen ze nóg beter rekening houden met hun geliefden. Bovendien mogen ze gratis meeëten en meekijken: ziehier het mes dat aan alle kanten snijdt.

Het festijn op de vrijdagavond vormde de fraaie prelude voor het festijn op de zondagmiddag. De zaterdagochtendtraining sloeg ik over: er moest immers zuinig worden omgesprongen met de beschikbare energie. Al een aantal dagen lang was ik fysiek bepaald niet superfit – mentaal was ik het echter wel. GR-loopmaat Chuen (afstammeling van!) belde mij aan het eind van de ochtend nog enthousiast op: tot zijn vreugde had hij op het allerlaatste moment ook een ticket bemachtigd. Hij vroeg zich af of wij samen konden reizen naar Amsterdam. Helaas zat er tussen zijn starttijd en de mijne ruim twee uur. Samenreizen zat er derhalve niet in, maar wel wensten we elkaar veel succes en plezier met de loodzware challenge die ons beiden te wachten stond.

Vanwege het late starttijdstip van klokslag 14:25 uur konden man en vrouw op de wedstrijdochtend lekker lang doorsudderen tussen de lakens. Op het door de electronische haan aangegeven moment jumpten wij er ijlings uit om ons aan het sportontbijt te wijden. Terwille van een goede eiwit- en zoutbalans omvatte dit maal ditmaal ook een gekookt eitje, een lekkernij die met een snuf zout werd ingebracht. Hierdoor stelde ik zeker dat ik optimaal voorbereid naar de hoofdstad zou afreizen. Vlotjes werd de speciale Dam-tot-Dam-tas ingepakt en om half twaalf des ochtends verliet het liefdespaar het liefdesnest. Behendig manoeuvrerend langs alle zwartomhulde kerkgangers baanden wij ons een weg naar de treinen. Zoals bij U bekend is het stationsgebouw een toonbeeld van foute architectuur, zowel qua ontwerp als uitvoering. Maar dat terzijde. Even later nam ik plaats in het rijtuig waarin ik naar Amsterdam zou worden vervoerd. Dit alles uiteraard na een buitengewoon roerend en liefdevol afscheid dat wij en plein public zonder enige gêne lieten plaatsvinden.

Het was al onrustig in het boemelvehikel, maar op het schilderachtige stationnetje Goverwelle werd het nog een graadje erger. Tegenover en naast mij nam een drietal Polen plaats dat onmiddellijk, en zonder voorafgaande aankondiging of waarschuwing, luidkeels met elkaar in debat ging. En of dat nou over wodka, Poolse of Nederlandse vrouwen, uitkeringen/pensioenen of de schoonheid van het Tatra-gebergte ging: ik had er waarlijk geen idee van. Wel hadden mijn immers hoogsensitieve trommelvliesjes de grootste moeite met het verwerken van zoveel onverstaanbare impulsen. Gelaten bracht ik mijn oortjes in en trachtte op de klanken van The Blue Nile het gekrakeel te dempen. ‘Now that I found peace at last, tell me Jesus will it last?’. BTW goeie vraag op deze Dag des Heeren. Nou het antwoord nog.

Gelukkig verlieten de drie Oostblokkers in Breukelen de trein. Onmiddellijk werden de twee plaatsen tegenover mij ingenomen door twee jonge vrouwen van wie het alle schijn had dat zij ook aan het DtD-festijn zouden deelnemen. Hun tassen leken immers sprekend op de mijne. Gelijk schrijver dezes waren zij al gehuld in hun wedstrijdtenue – dat kon ik razendsnel constateren. Twee paar onbedekte vrouwenbenen staarden mij aan, en dwongen mij haast om terug te staren. Pijlsnel besloot ik tot een interventiemeditatie: uiterst geconcentreerd de mindemptiness bedrijven met de luikjes dicht. Dit ter voorkoming van ogen op steeltjes, bakkes op half zeven en buitensporig gekwijl uit de mondhoeken. Een aanrader voor wie niet op gluurgedrag betrapt wil worden: dit is het beste wat je kan doen. Eigenlijk is het wel het enige wat je kan doen. In dit geval nog altijd op de klanken van The Blue Nile: ‘I wanna hold you, treat you right. I can do wrong but will do right’.

Weer een beetje tot rust gekomen na deze aangrijpende gebeurtenissen bereikte ik met mijn medepassagiers de prachtige Johan Cruyff ArenA. Waar ik in het epistel over de Gaasperplasrun de loftrompet stak over de naamgever, wil ik nu kort stilstaan bij mijn bemoeienissen met deze voetbaltempel. Eerst een bekentenis: mijn cluppie Ajax heb ik daar nog nooit zien spelen. Maar ach, vroeg of laat zal dat er ongetwijfeld van komen. Wel aanschouwde ik, samen met mijn vader, de grote opening in 1996. Drie dagen later bezocht ik die grote teil opnieuw, ditmaal met diezelfde vader en mijn toenmalige schoonbroer. Twee jaar daarna, in juli 1998, was de ArenA het toneel van een spetterend concert van The Rolling Stones, met in het voorprogramma de Dave Matthews Band. Ik was erbij, zoals U zult begrijpen. In juni 2016 (we maken een grote sprong in de tijd) was er een al even spetterend concert van Coldplay, onder andere geopend door een fantastische Lianne de la Havas. Ook daar was ik gloeiend bij.

Nu weer een tijdsprongetje terug: in oktober 2005 was er de WK-kwalificatiewedstrijd om des keizers baard tussen Oranje en Macedonië. Ditmaal zonder support act, tenzij U natuurlijk het zingen der volksliederen als zodanig beschouwt. BTW toen ging het nog om heel Macedonië - en niet alleen maar het Noorden. Doordat Nederland zich al voor het WK geplaatst had (dat was nog ongewis toen ik de kaartjes kocht) en Macedonië al lang uitgeschakeld was, werd het een bloedeloze wedstrijd met een bloedeloze 0-0 als eindstand. Desalniettemin: toch mooi om erbij te zijn geweest.

Vervuld van mooie herinneringen dreef ik deze indrukwekkende tobbe voorbij. Om ongeveer kwart voor een op deze stralende middag landde het Sprintertje op het Mokumse Centraalstation. Zoals gebruikelijk tijdens de DtD kon je over de koppen lopen, zo knetterdruk was het ter plaatse. Slaand, schoppend, bijtend en krabbend baande ik mij een weg naar de Sanifair geldfabriek die aan de IJ-zijde van het station is gelegen. Met een nauwelijks te onderdrukken glimlach bekeek ik de gigantische rij waarin de vrouwen voor het toiletgebouw stonden opgesteld. Kun je nagaan: eerst kloppen ze je nota bille 70 Eurocent uit je DtD-zak nadat je al een uur gequeued hebt, en vervolgens moet je inpandig nóg eens een uur wachtend doorbrengen. Als de nood het hoogst is, is bij Sanifair de redding geenszins nabij. In ieder geval niet voor vrouwen. Wij mannen, gezegend met onze specifieke fysiologische karakteristieken, hadden meer geluk vandaag.

Opgelucht verliet ik dit Sanifair-inferno, met recht het Oord der Helse Verschrikkingen. Schielijk sloop ik naar boven, richting het busplatform. Daar stonden de vrachtwagens opgesteld die onze witte DtD-tasjes veilig naar Zaandam zouden brengen. Na afloop van de 16 kilometer lange kweltocht zou de atleet zijn of haar tasje weer kunnen afhalen. Ik bracht mijn doping in, stopte alle overbodige kledij in de tas, legde er een grote knoop in en gaf ‘m af bij de dienstdoende logistiek vrijwilliger bij de truck. Vervolgens besloot ik mijn mediteerwerk te hervatten op het busplatform, met als enige overgebleven losse bezittingen een flesje water en een flinke banaan.

Na afloop van de meditatie nam ik zoals zo vaak even de gelegenheid om een blik te werpen op al die prachtige atleten en atletes die zich opmaakten voor het verrichten van hun prestatie. En opeens zag ik hem: mijn oud-collega Cock, gezeten op de stoeprand en in druk gesprek met een vrouwspersoon. Opgetogen liep ik op hem af: hij was de eerste en mogelijk enige bekende die ik in deze immense lopersmassa zou tegenkomen. De begroeting was allerhartelijkst, en ook maakte ik kennis met zijn metgezellin: zijn eigen vrouw met wie hij samen deze loop ging verhapstukken (bron: Arranraja). Uiteraard ging een deel van het gesprek over onze gezamenlijke tijd als vakbroeders. Lang kon ons onderonsje helaas niet duren: zij zouden eerder starten dan ik en moesten zich zo langzamerhand haasten naar hun startvak. We wensten elkaar veel succes, en we beloofden dat we elkaars uitslagen zouden checken.

Geduldig wachtte ik op het busplatform mijn tijd af. Om kwart voor twee was ook voor mij het moment aangebroken om de moede gang naar het startschavot te maken. Luid smakkend op mijn banaan liep ik in de IJ-passage onder alle sporen door. Koud buiten het station gekomen voelde ik de warmte onverbiddellijk op mij neerslaan. Krimmenele wat zou dit heftig worden vandaag! Gelaten sjokte de kudde langs de Schreijerstoren richting dat vermaledijde startvak. Op de brug waar alle businessteams hun fotoshoots houden wijdde ik mij kortstondig aan wat inloopwerk. Je moet tenslotte warmdraaien ook al is de buitentemperatuur hoog - zo zijn nou eenmaal de regels van het spel. Gutsend van het inloopzweet bereikte ik Dixiland, waar ik nog een laatste inspanning verrichte om het reservoir leeg te krijgen.

Eenmaal aangekomen in het rode startvak zocht ik onmiddellijk de schaduw op. Die werd zoals zovaak gevormd door het aan de Prins Hendrikkade gelegen Amrâth Hotel, dat dit jaar geheel in de steigers stond. Met frisse tegenzin onderwierp ik mij aan een warming-upspektakel dat mij eigenlijk vreselijk tegen de borst stuitte, maar ja je moet toch wat om de tijd te doden (bron: Wim). Anders maak je jezelf maar veel te zenuwachtig zo vlak voor de start. Na deze opwarmgekte bewoog het peloton zich schuifelend naar voren richting de startlijn. Nu stond ik schuin voor een enorm beeldscherm waarop de menigte te zien was – en al spoedig ontdekte ik er mijn eigen persoontje. In opperste concentratie monsterde ik mijzelf: zat het jasje recht, het dasje recht? Veters netjes gestrikt met een extra knoop er bovenop? Waren er ergens nog ongerechtigheden? Stond er niet ergens nog een gulp open, een chocoladevlek in de mondhoek misschien? Snottebelletje aan het neusje soms? Zat mijn kapsel goed? Check-recheck-doublecheck. Tevreden zag ik dat het goed was, en dat ik gereed was om te vertrekken.

Om klokslag 14:26 uur werd met een fuikstart ook dit stukje peloton weggeschoten. Meteen kreeg ik het warm op het stuk Prins Hendrikkade, tot aan de bocht richting Nemo en IJtunnel. Ik zou vandaag heel zuinig moeten lopen, anders zou het mij slecht vergaan. Zoveel was mijn warmtemanager in de eerste honderden meters al duidelijk geworden. De tunnel bood direct verkoeling: er hingen gigantische blowers aan het begin die koude lucht op de meute lieten neerdalen. Hartstochtelijk aangespoord door een roedel trommelaars vervolgden wij onze weg in de tunnel waarin het naar mijn gevoel behoorlijk koel was. Hoe anders was dat vorig jaar: toen vertrokken wij met lagere temperaturen en enorme plensbuien en betraden we een tunnel die bloedheet aanvoelde. Maar nu niet dus. Ook aan het eind van de tunnel hingen weer blowers die ervoor zorgden dat het zelfs flink koud aanvoelde. Dat was misschien even lekker, maar ik wist dat we meteen de tol gingen betalen. Het gevoelstemperatuurverschil (3x woordwaarde) met buiten was immers veel te groot.

Op het oersaaie stuk over de Nieuwe Leeuwarderweg sloeg de zonkracht onbarmhartig toe. Het was zaak om zo behoudend mogelijk te lopen, anders zou de strijd snel gestreden zijn. Ik verkoos de geborgenheid van een groep van ongeveer 15 lopers die een voor mij te behappen tempo onderhielden. Vlak voor de opgang richting Amsterdam-Noord ontspon zich een merkwaardig gesprek over het mogelijke dodental van deze loop, onder deze omstandigheden. Een aantal manspersonen was vol bravoure tegen elkaar aan het opbieden over dat getal, en op een gegeven moment was men op het angstaanjagende verhoudingscijfer van 1:15 gekomen. Kortom: van elke 15 lopers zouden er 14 levend de finish bereiken. Hilariteit alom in het groepje, en ook ik kon een glimlach maar met moeite tot bedaren krijgen. Mannen onder elkaar hè? Berekenend als ik ben besloot ik om nu ook maar mijn duit in het zakje te doen. Ik hield de mensen om mij heen voor dat ze dan maar eens goed om zich heen moesten kijken. Want, zo sprak ik fijntjes, één van ons zou het loodje leggen vandaag. Meteen werd het een stuk rustiger. En nadat we even later óók nog langs een begraafplaats waren gelopen werd er verder geen woord meer gewisseld in het vlak daarvoor nog zo geanimeerd klessebessende groepje.

Ondanks al deze morbide jolijt begon ik het intussen behoorlijk zwaar te krijgen. Dat was mij verdorie tijdens de vier voorafgaande edities in deze fase van de strijd nog niet overkomen. Ik verwelkomde de eerste drankpost op de Buiksloterdijk met graagte en viel als een dorstige wolf aan op het verstrekte water. Ook werd er het nodige van die vloeistof over het flink verbrandende bolletje uitgestort. Alle middelen moesten immers worden ingezet om oververhitting te voorkomen. Met een langzaam leeglopende tank vervolgde ik mijn weg over de Marjoleinweg en het Barkpad, waar overigens geen hond te bekennen viel. Ik had inmiddels vijf zware kilometers achter de zwaar verhitte kiezen. Het was tijd voor de volgende etappe: het lange stuk naar het pythagoreske Kadoelen. Het eerste gedeelte is onbarmhartig: geen enkel stuk struweel neemt ook maar iets van de zonkracht weg. Daarna wordt het wat beter en komt de bebouwing van Kadoelen in zicht. En daar, op de Stoombootweg, voltrok zich de redding. Vele Kadoelers hadden uit oprecht medelijden drankpostjes ingericht of hadden hun sproeiers van stal gehaald om het atletenvolk afdoende te koelen. Waarvoor de onuitsprekelijke dank van deze Goudse tobatleet. Een groot gedeelte van het parcours in Kadoelen stond blank, echt waar, en het was soms nog een hele toer om al deze vloeibare klippen te ontwijken.

In de Molenwijk (een minder schilderachtig stukje Amsterdam-Noord) vergunde ik mij alle tijd bij de fruitpost en later bij de drankpost. Even weer wat bij mijn positieven komen, even een assessment maken van de situatie. Welnu, die situatie was weer eens niet best en bood ook weinig hoop voor het vervolg. On a brighter note: wèl waren bijna 10 kilometers afgelegd en was ik zowat op tweederde van deze monsterbeproeving. Inmiddels had ik een pact gesloten met een hardloopstelletje om een tijdje de krachten te bundelen. Voor de geïnteresseerden: beiden waren getooid met een blonde paardenstaart. Gezamenlijk schreden wij onder het Coenplein door (besmette naam, red.) richting Zaandam. Liep men tot twee jaar geleden altijd over de Verlengde Stellingweg, tegenwoordig wordt de meute naar de westelijke kant van de A8 gedreven. Vlak voor het 11km-punt schoof het hele peloton de weg af en het fietspad op, simpelweg omdat daar schaduw was. Dat was wel sneu voor een vrouwelijke DJ die nou juist aan de kant van de weg haar kunsten aan het vertonen was. Spijtig voor haar liepen wij allemaal achter haar langs – volgend jaar maar beter hè?

Vlak na deze onverkwikkelijke gebeurtenis sjokte het peloton de Noorder IJ- en Zeedijk op, een behoorlijk lang stuk op weg naar Zaandam. Ik had het hardloopstelletje inmiddels gelost (of was het andersom?) en liep nu op met een man van ongeveer mijn leeftijd, gezegend met een Limburgs accent. Met zijn zachte G wist hij mij te vertellen dat hij er dubbel en dwars doorheen zat en dat het allemaal niet lang meer moest duren. Dat gaf mij nieuwe kracht: ik was blijkbaar niet de enige die op sterven na dood was. Even na het 12km-punt sprong een manspersoon het parcours op als wilde hij ons de weg versperren. Hij maakte zich bekend als wedstrijdofficial en maande ons met klem om vooral rustig te gaan lopen, wegens de warmte. What a statement: we gingen al zó langzaam dat we dreigden om te vallen. Grijnzend keken mijn loopgezel en ik elkaar aan. Maar goed: bevel is bevel, zoveel had ik wel opgestoken van mijn jeugd in een kolonelsregime. En dus bonden we in, mede uit angst uit de wedstrijd te worden verwijderd.

Intussen bereikte ons ook de mare dat de laatste twee startgroepen, in totaal ruim 4000 personen, een startverbod hadden gekregen. Even werd ik wit om de neus. Dat betekende dus dat ik in de láátste groep had gezeten die wèl mocht starten! Wat was er in hemelsnaam gebeurd? Ik moest er maar even niet aan denken, dus ploeterde ik ijverig voort richting de laatste drankpost, op 13.7 kilometer. Daar laafde ik mij voor een laatste maal overvloedig: twee bekertjes Isostar en twee bekertjes water. Met een doordrenkte spons sopte ik voor de laatste maal mijn vermoeide en oververhitte hoofd. De laatste fase van het Damdrama was aangebroken.

Even na 14 kilometer zag ik tot mijn schrik een aantal hulpverleners die zich over een roerloos op de grond liggende persoon bogen. Die man of vrouw lag er duidelijk niet florissant bij, en het maakte dat mijn stemming al helemaal tot het nulpunt daalde. Vol met bange vermoedens sjokte ik voort over de Zuiddijk, luid aangemoedigd door een grote schare inboorlingen die uit hun hutten waren gekropen om ons een hart onder de riem te steken. Ook hier werd weer onwaarschijnlijk veel gezopen en gebruikt – het was goed te ruiken allemaal. De zon was achter de wolken verdwenen, en hierdoor voelde het even vreemd koud aan. Eventjes viel ik stil. Er trokken rillingen over mijn rug: voelde ik mij wel goed en kon ik zo eigenlijk nog wel door? Gelukkig herstelde ik snel en kon ik mijn weg vervolgen over de klinkers van de Zuiddijk.

Bij 15 kilometer voelde ik mij alweer goed genoeg om breeduit te grijnzen en te zwaaien voor de in groten getale opgestelde fotocamera’s. Als U de foto’s ziet lijkt het alsof ik zo fit als een hoentje ben – in werkelijkheid loop ik als de Dood van Pierlala over het wegdek te zwalken. Het absolute dieptepunt bereikte ik vlak voor de Dam: daar had het hele spektakel wat mij betreft subiet mogen ophouden. Maar er waren nog ettelijke honderden meters te gaan. Godzijdank bood de doortocht op de Dam met honderden uitzinnige (want stomdronken) supporters nog net die motivatie om het karwei naar behoren af te ronden. Eenzelfde verschijnsel beleefde ik bijna een jaar geleden op het Stratumsend in Eindhoven, in the dying seconds van mijn halve marathon aldaar. Hier in Zaandam, met nog 400 meter te gaan, werd het gelukkig een overzichtelijk en behapbaar gebeuren. De finishboog op de Peperstraat kwam in zicht, en met een redelijk tempo voltooide ik het laatste stuk. Uitgepierd en afgedraaid passeerde ik de finishmatten: deze helletocht zat er voor mij eindelijk op. De strijd was gestreden, het leed was geleden. Mijn vijfde (achtereenvolgende!) Dam-tot-Damloop was aan mijn zegekar gebonden.

Uitgeput nam ik mijn medaille en een flacon sportdrank in ontvangst. Dat had ik allemaal wel verdiend vond ik zo. Normaal gesproken staan ze vlak na de finish ook pakjes Sultana uit te delen. Maar dit keer niets van dat alles. Ik heb inmiddels een lange brief geschreven aan de organisatie, waarin ik mijn ongenoegen over deze omissie kenbaar heb gemaakt. Mogelijk zal door toedoen van dat epistel deze traditie volgend jaar hervat worden. Ik houd U op de hoogte. Maar op dat moment zat het mij behoorlijk hoog. Gedesillusioneerd liep ik over de Heijmansstraat richting de tassenafgifte bij het Dam-tot-Dampark. Overal zag ik mensen totaal uitgewoond in de hekken hangen. Voor mij liep een blonde vrouw die zichtbaar heel gelukkig was met zichzelf. Telkens maakte zij vreugdesprongetjes en hief zij haar armen in triomf. Deze fraaie verschijning, zo vlak voor mij, bracht mijn goede humeur op slag terug. En het deed mij ook weer beseffen hoe gelukkig ik zelf ben. Gelukkig in het spel, en gelukkig in de liefde.

Na het confisqueren van mijn DtD-tas monsterde ik mijn schrandere telefoon. Daarop had een ware Whatsapp-ontploffing plaatsgevonden. Mijn bezorgde levenspartner, mijn dochters, vader, zuster, mijn tante Martha die ik niet tante mag noemen, Arranraja, GR-makker Wim, allen hadden zij die éne prangende vraag: was ik wel gestart? Gevolgd door die éne prangende vervolgvraag: was ik wel gefinisht? Gelukkig kon ik beide vragen bevestigend beantwoorden, maar ik deelde hen wel mee dat mijn situatie te wensen overliet.

Moeizaam kleedde ik mij om en na nog een kort meditatief momentje vertrok ik naar het Zaanse station. U weet inmiddels hoe fraai ik dat station vind, dus dat vermeld ik hier niet nogmaals. Halverwege de Gedempte Gracht passeerde ik nog de favoriete coffeeshop van mijn blogbroeder Arranraja, en met een glimlach bedacht ik mij dat ook door hem een jubileumeditie was afgewerkt. Voor het voltooien van zijn tiende achtereenvolgende DtD past enkel eerbied en ontzag. Ik hoop oprecht dat zijn medisch team snel een oplossing kan vinden voor zijn rugkwetsuur, zodat hij ook in de toekomst actief kan zijn tussen de twee Dammen.

Met mijn laatste krachten sleepte ik mij naar de achterkant van het perron, en wachtte daar geduldig op de Intercity vanuit mijn geboorteplaats Den Helder richting Maastricht. De Nederlandse Spoorwegen brachten mij vervolgens veilig via Utrecht naar Gouda. Ter hoogte van de streng Gereformeerde Stationspleinkerk luisterde ik even naar de loodzware gezangen die tot ver buiten het pand te horen waren. Zouden deze mensen uiteindelijk vrede hebben gevonden, en had Jezus hen inderdaad verteld dat dat eeuwig zou zijn? Mijn persoonlijke duurzame vrede had ik op eigen houtje allang gevonden. Vermoeid doch voldaan sjokte ik langs het spoor naar huis, daar waar happiness heerst, waar het leven goed is en ten volle waard om geleefd te worden.

Foto's bij deze blogpost

timefoto_canon-eos-7d-markii-f23287f930ee47d69898d3abc6f2b297_6047-2019-09-22-14-10-22.614052.jpg Damloop_10engelsemijl-e1549020730280.jpg

Eliud op de iPad

Gepost door Arranraja op woensdag 16 oktober 2019 19:52

Ik heb er weer een gastblogpost op RunningPlus tegenaan gegooid. Over dat geslaagde gevalletje marathonlopen in Wenen, afgelopen zondag:

https://www.runningplus.nl/2019/10/16/eliud-op-de-ipad/

Kanarievogel op de Kattensingel

Gepost door Peter de Haan op zondag 13 oktober 2019 17:57

Zoals ik mijzelf al voor aanvang van het Weesper Vechtfestijn had beloofd, vormde deze Succesvolle Samenloop met blogbroeder Arranraja de afsluiting van mijn voorseizoen. Een voorseizoen dat zich als een ware hardlooprollercoaster had voltrokken. U heeft er in negen ellenlange kletsverhaaltjes over kunnen lezen en huiveren. Over het algemeen waren de wedstrijden zwaar geweest – een logisch gevolg van een al geruime tijd in mij postgevat duurloopmisverstand. Dit misverstand houdt in dat ik meende zonder fatsoenlijke duurlooptraining toch nog tot goede prestaties te kunnen komen. Welnu: deze mening klopt niet. Door een schrijpend gebrek aan duurvermogen was het een voorseizoen geworden van lijden in plaats van leiden. Met als gevolg dat ik na sommige wedstrijddébacles flinke hardlooppauzes moest nemen – et voilá daar heb je je poreuze cirkel. Want het is na een periode van rust al helemáál zwaar om überhaupt de motivatie op te brengen voor goede en gerichte trainingsarbeid. Overigens spreek ik überhaupt maar één woord Duits, maar dat terzijde.

Je merkt het ook aan de kletsverhaaltjes zelf, nietwaar lezer? Uit al dan niet valse schaamte vermeldde ik niet eens meer de wedstrijdtijden op mijn episteltjes. Ik was dit voorjaar zó ver door mijn ondergrenzen gezakt dat ik de ene na de andere PW (Personal Worst) op liet tekenen. Die waren het vermelden in een blog niet waard vond ik. Ook wijdde ik, bij gebrek aan beter, ellenlang uit over allerhande randzaken. Zaken die in mijn persoonlijke leven weliswaar memorabel zijn, doch die in een fatsoenlijk hardloopverhaal totaal misstaan. Mocht U zich in de afgelopen maanden min of meer geërgerd hebben aan mijn schriftelijke baksels: mijn oprechte, nederige en schaamtevolle excuses daarvoor. U kunt mij ontvrienden indien U dit wilt – ik zal het begrijpen. Mocht U ze echter wel de moeite waard hebben gevonden: dan ben ik voor eeuwig Uw vriend en zal ik mij voortaan meer dan ooit uitputten in oeverloze vertellingen. Te beginnen met deze.

Vlak na de Vechtloop voltrok zich ook nog een andere afsluiting – eentje waar ik echter huizenhoog tegen had opgezien. Het was het eind van mijn werkzame periode bij Terre des Hommes, een organisatie die na mijn aantreden in Kenianentempo mijn hart gewonnen had. Dit vanwege de buitengewoon eerbare en nobele doelstellingen en vanwege het fantastische menselijke kapitaal dat zich met volle overgave wijdt aan het verwezenlijken van deze doelstellingen. Alleen al op het hoofdkantoor in Den Haag waren meer dan tien nationaliteiten vertegenwoordigd, en uiteraard was Engels er de voertaal. Het Engels is mijn tweede eerste taal, als U begrijpt wat ik bedoel. I felt like a gopher in soft dirt – I knew that already whilst working there, but as I write this I realise that even more. Als projectleider èn business-analist had ik een project management informatiesysteem mee helpen implementeren. In de laatste weken trainde ik nog een veertigtal mensen over het hele TdH-verspreidingsgebied (Oost Afrika, Zuidoost Azië, Europa) in het gebruik van het nieuwe systeem. Heerlijk om te doen voor zoveel prachtige vogels van diverse prachtige pluimage – dit laatste meen ik oprecht.

Maar U kent mijn argumenten om toch te vertrekken: ik onthulde ze immers in mijn vorige opstel. En zo was dan op 16 juli de dag aangebroken om iedereen vaarwel te zeggen èn te huggen. Want die laatste activiteit wordt in de hechte TdH-familie met graagte gebezigd. Hoe is het mogelijk dat je mensen dan wèl toelaat in je aura, een gebied dat normaal gesproken door mij streng bewaakt wordt. Bij mijn afscheidsreceptie kreeg ik - naast vele warme woorden - onder andere het werkelijk schitterende boek ‘Born to Run’ (van Christopher McDougall) cadeau. Wat een passend geschenk voor een tobatleet en wat leuk en attent dat ze juist dàt voor mij hadden uitgezocht. Het farewell werd één grote wederzijdse tranentrekker, nog nèt niet zo erg als het afscheid bij een Succesvolle Samenloop. Maar toch: een drama in zesentwintig bedrijven was het. Met roodomrande ogen leverde ik aan het eind van de dag mijn sleutels en laptop in bij de dienstdoende, hevig geëmotioneerde, facility officer. Daarna vertrok ik met een stille trom vol weemoed. De tijd bij Terre des Hommes had voorgoed mijn leven veranderd.

Vijftien dagen restten mij om te ontslakken van Terre des Hommes en om me nog niet druk te maken over wat mij bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland zou wachten. Op 1 augustus zou ik beginnen bij deze nieuwe werkgever. Elfriede en ik besloten een soort van nationale stedentrip te verhapstukken (bron: Arranraja). De absolute en ongekende climax ervan werd gevormd door een midweek in Maastricht, dat - net als wij - zuchtte onder de hoogst gemeten temperaturen in Nederland ooit. Godzijdank hadden wij een hotel geboekt dat over excellente airconditioning bleek te beschikken. Anders was het in de zwoele nachten al net zo’n lijdensweg geworden als bij de Zandvoort Circuitrun in maart. Nu werden diezelfde nachten zwoel doch draaglijk – en daar wou ik het verder maar bij laten.

Wellicht nodeloos om te vermelden, maar de twee vakantieweken voltrokken zich op een uiterst Bourgondische wijze. De pondjes vlogen eraan, en de conditie vloog eraf om het zo maar eens uit te drukken. Trainingen waren vanzelfsprekend niet aan de orde in dit interbellum tussen TdH en RVO. Ik besefte dat mij een lange periode van wederopbouw te wachten stond, en dat zonder Marshall-hulp. Dat maakte dat ik ook behoorlijk zuinig gedaan had met het inschrijven voor najaarsloopjes. De Dam-tot-Damloop en Zevenheuvelenloop waren al maanden geleden gepland – dat zijn immers zekerheidjes in mijn hardloopbestaan. Maar voor de rest was de wedstrijdloopkalender nog angstvallig leeg. Ook voor de Goudse Singelloop had ik zoals gebruikelijk nog geen ticket tot mijn beschikking.

Zoals wel vaker bood Startbewijshulp.nl uitkomst. Enige dagen voor het Goudse festijn meldde zich ene Nelleke op de electronische marktplaats voor startnummers. Zij had nog een ticket over voor de 10km. Onmiddellijk sloeg ik toe en na het uitdelen van een Tikkie incasseerde ik het felbegeerde startbewijs. Ik was verheugd, ondanks het feit dat ik een haat-liefdeverhouding heb met deze loop. Haat vanwege het verschrikkelijke parcours door straatjes en steegjes, liefde vanwege de enorme gezelligheid in de Goudse binnenstad op de wedstrijdavond.
Hoe dan ook: na Paul, Sietske, Gerrit, Jimi en Marcel zou in 2019 de naam Nelleke op mijn torso prijken. Ik had het ‘m weer geflikt! Vrijdag 13 september was de Grote Goudsche Dag, en ik zou er gloeiend bij zijn.

Op woensdag verliet ik het Haagse RVO-pand wat eerder, teneinde in Gouda mijn vernieuwde rijbewijs op te halen en mijn startnummer op te vissen in sportzaak VS op de Nieuwehaven. BTW tot mijn starre verbazing mag ik de komende 10 jaren ook op een tractor gaan rijden! Gloort er een nieuwe carrière aan de horizon? De toekomst heeft het in het verschiet. Maar dat alles terzijde. In de sportzaak ontdekte ik dat de naam op het startnummer niet Nelleke maar Dineke was. Enige navraag leerde mij dat Nelleke het ticket voor haar moeder had aangeschaft, maar dat Dineke helemaal geen behoefte bleek te hebben aan zo’n inspannend loopje. Voortaan toch maar weer een geurtje kopen Nelleke, of een mooie bos bloemen.

Na het verlaten van de sportzaak liep ik op de Kleiweg plotseling Debora tegen het lijf. Debora drijft samen met haar zuster Anita al enige jaren een zaak in Afrikaanse kledij en gebruiksvoorwerpen, genaamd Dinkra. Een tiental maanden geleden verhuisde Dinkra naar een groter pand aan de Kleiweg. Achterin de zaak was een enorme ruimte – en de twee zussen besloten die ruimte te reserveren voor een mengeling van kunstenaars en ambachtslieden. Elk van hen kreeg een stukje ruimte om in te richten als atelier. Tegen betaling, dat wel. Zo waren er op een gegeven moment een edelsmid, een leerbewerker, een keramist en last but not least een kunstschilder: mijn vrouw Elfriede. Vijf maanden lang haalde zij daar haar schilderstreken uit, totdat haar hoog-sensitieve inborst haar influisterde dat het er wel extreem gezellig en druk was, en dat er zo van werken te weinig terechtkwam. Ook sloten de Dinkra-zusters overeenkomsten om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt – onder andere vanwege een migratieachtergrond – een arbeidsplek te geven in het modeatelier. Zo ontstond The Melting Shop, een passende naam voor zoveel bedrijvigheid van zoveel prachtige vogels van diverse prachtige pluimage – dit laatste meen ik oprecht.

Tijdens mijn keuvel met Debora meldde ik haar dat ik zojuist mijn Singelloop-ticket had opgehaald. Onmiddellijk sloeg zij aan: of ik al wist wat voor kleding ik die vrijdagavond zou aantrekken? Tja, eigenlijk wist ik dat wel, maar ik was toch even benieuwd wat er achter haar vraag school. Vol vuur vertelde zij mij dat ze sportkleding gingen maken van oude grote sportvlaggen. Het was de bedoeling dat die kleding uiteindelijk bij sportverenigingen zou terechtkomen, speciaal ter aanschaf door de wat minder goed bij kas zittende mensch. Ik vond dat een buitengewoon nobel streven, en dat vertelde ik haar ook, maar nòg wist ik uiteraard niet wat de bedoeling was. Die bedoeling werd snel duidelijk: als ik nou eens ter promotie van hun zaak en van deze spectaculaire nieuwe loopkledij in zo’n verbouwde vlag ging lopen, dan zou Debora mij een nòg toffere gozer gaan vinden.

Enigszins schoorvoetend liet ik mij meetronen naar de winkel. Daar waren heel nijverige mensen heel nijverig bezig met het omwerken van oude vlaggen naar hardloopbroekjes en hardloophesjes. Meteen kreeg ik het warm: het materiaal bleek nylon te zijn, en ja dat ademt niet al te best. Maar wel werd ik vrolijk van de veelkleurigheid van de kledij, en van het enthousiasme en de ijver waarmee het vervaardigd werd. Al snel was ik om: ik zou de Singelloop gaan lopen als het vlaggenschip van The Melting Shop. Ook op de andere afstanden zouden TMS-vaandeldragers meedoen – het beloofde een enorme promotie-actie te worden. Omdat ik gedeeltelijk in het donker zou komen te lopen koos ik een overwegend geel setje uit, met blauwe, witte en bruine accenten. Op de vrijdagmiddag kon ik mijn tailor-made outfitje in de shop komen ophalen, zo werd mij verzekerd.

En zo brak de langverwachte wedstrijddag aan. Een mooie traditie op die dag is het wegwerken van een pannenkoekje in De Pannenkoe, een intiem eethuisje tegen de Goudse binnenstad aangeplakt. Dit vanzelfsprekend samen met de liefde van mijn leven, die altijd volgaarne bereid is om met mij dit sterk staaltje van sportdiëtetiek te bedrijven. Om een uurtje of vier buffelden wij naar volle tevredenheid onze lekkernij weg – zo kon het spul bijtijds zakken voor het grote wedstrijdfestijn dat voor mij om half acht van start zou gaan. Daarna togen wij naar The Melting Shop waar ik het nieuwbakken tenue onder de vaardige handen van de naaisters weggriste.

Bij het omkleden in Huize De Haan probeerde ik na te gaan of deze nylon kledij mij goed zou passen. Het hesje zou geen probleem vormen, alhoewel ik er toch mijn allerdunste singletje onder aanbracht om de kans op schuurplekken en brandwonden te minimaliseren. Mijn hoog-sensitieve torso moest immers gespaard blijven, zo vonden wij beiden. Om soortgelijke redenen trok ik mijn gebruikelijke korte tights aan en deed ik het nieuwe gele broekje er overheen. Dit alles zou garant staan voor een buitengewoon verhitte avond, ik wist het, maar dat moest dan maar. Gelukkig waren mijn hardloopsokken niet van nylon, bedacht ik mij met enige opluchting. Al met al vond ik het best stoer staan, iets wat na enig aarzelen door mijn lief werd beaamd. Na ampele overweging besloten we ook de naam Dineke af te plakken en met watervaste viltstift mijn eigen naam op het startnummer te zetten. Zo zou mij een grote identiteitscrisis bespaard blijven, en zou ook Dineke zich met goed fatsoen nog in de Goudse binnenstad kunnen vertonen.

Meewarig aangestaard en nagekeken door velen marcheerde ik tegen een uurtje of zes naar de Goudse binnenstad. Zo’n vreemd uitgedoste vogel hadden zij nog zelden gezien. Zelfs door het wandelen raakte ik al oververhit – hoe moest dat tijdens de loop wel niet zijn? De vrouw des huizes had nog wat eigen bezigheden binnenshuis, maar zij zou zich later als supporter bij het spektakel voegen. Met de dames van The Melting Shop was er de afspraak dat zij zich op het parcours zouden ophouden, niet ver van hun eigen winkeltje. Daar zouden zij de dappere TMS-krijgers aanmoedigen op hun ongetwijfeld loodzware beproeving.

Gouda heeft een schilderachtige binnenstad – maar dat heb ik U vast wel eens verteld. Mocht U dat eens willen verifiëren: kom eens een kijkje nemen in Gouda! Bij ons thuis krijgt U dan eerst een kop koffie of thee naar believen, met daarbij een origineel Goudse Stroopwafel. Daarnaast wordt U door ons getrakteerd op diverse anekdotes over onze geliefde stad. Vervolgens zeulen wij U de binnenstad in met zijn talloze monumentale panden en pandjes. We tronen U naar het stadhuis, dat er prachtig bij staat op het midden van de Markt. Vervolgens slepen wij U door de Sint Janskerk met zijn kolossale schip en zijn fraaie gebrandschilderde ramen. We sluiten af met een bezoek aan de Punselie-fabriek waar de bekende Goudse stroopkoekjes in groten getale worden vervaardigd. Vergeet U daarna vooral de ruimhartige fooi voor de gidsen niet. Voor niets gaat immers alleen de zon op.

Aangekomen op de Markt ontwaarde ik in de menigte direct Annemarie en Liesbeth, twee Goudse Runsters die zich opmaakten voor hun loop over zeven kilometer. Gelaten liet ik mij een spervuur van schijtlollige opmerkingen over mijn outfit ondergaan. Gelukkig duurde het niet lang voordat zij zich aan de start moesten melden. Opgelucht doch strijdvaardig meldde ik mij bij het AV Gouda-groepje van Henk en Karin, met wie ik de opwarmronde en dynamische rek- en strekoefeningen ging doen. Onder aanvoering van Henk liepen wij een dikke kilometer door de binnenstad, een activiteit die mij al spoedig buitengewoon warm van binnen maakte. Geen wonder met al die vlaggen om mij heen gedrapeerd. Dat nylon deed zijn werk goed zeg. Teruggekomen op de Markt gooiden wij onze spiertjes van top tot teen nog even los – en we waren er helemaal klaar voor. Even gingen mijn gedachten terug naar vijf jaar geleden, toen GR-trainer Ed – onlangs overleden – deze warming up voor ons verzorgde.

Vervuld van deze herinneringen toog ik samen met Karin naar het startvak. Even na half acht werd de meute weggeschoten voor de barre tocht over tien kilometer. De eerste honderden meters gingen over de Kleiweg, en ik verheugde mij al enorm op de doorkomst bij de twee gezusters die mij uitgebreid zouden aanmoedigen en filmen. Zo was althans de afspraak - tenslotte was ik vanavond het boegbeeld van hun onderneming. Maar zij waren in geen velden of wegen te bekennen, zoals U zult begrijpen een fikse teleurstelling. Ik heb ze ook niet meer gezien die avond. Wel stond op de Kleiwegbrug de liefde van mijn leven – en zij moedigde mij aan met de hartstocht die ik zo goed van haar ken. Monter vervolgde ik mijn tocht aan de zijde van Karin. Haar echtgenoot en privépacer Juan was reeds afgehaakt: hij had van meet af aan een lager tempo verkozen. Karin en ik hadden in tegenstelling tot twee jaar geleden geen haasafspraken gemaakt: ze had er ditmaal simpelweg niet het geld voor over. We zouden evenwel dicht bij elkaar blijven voor het geval er nog enige assistentie moest worden verleend. Ditmaal pro deo - zo ben ik ook wel weer. Met deze afspraak deden wij vlijtig voort door de Crabethstraat, om het IJzeren Heinenpark en over de Kattensingel.

De één na de andere warmtestuwing werd mijn deel: het nylon liet zich van zijn beste kant zien vandaag. Op de Kattensingel stond een groep meisjes met kletsnatte sponsen. Dankbaar nam ik een exemplaar in ontvangst en begon - gelijk Arranraja - driftig mijn hoofd te lappen en te zemen. Wel moest ik het sponsje heel snel weer inleveren. Het verbaal meest vaardige meisje van de groep stond even verderop en sprak de ronduit onbeschofte woorden: ‘Jaaaa hier die spons!’. Verontwaardigd overhandigde ik het kleinood aan het brutale nestje. Ze had verdorie mijn kleindochter kunnen zijn – dat is te zeggen: als haar oma het destijds in mij had zien zitten. Ietwat van mijn stuk gebracht beende ik voort. Karin liep inmiddels een meter of twintig achter mij, maar ik zou haar scherp in de gaten houden.

Na iets meer dan negentien minuten volgde de eerste doorkomst op de markt. Er zouden in totaal drie ronden gelopen moeten worden. Er had zich buitengewoon veel publiek verzameld in het finishgebied, en ik zorgde ervoor mij van mijn beste kant te laten zien. Dat wil zeggen: rechtop lopen in een mooie pendelpas, schouders laag en armen niet te hoog geheven. En dat allemaal in mijn veelkleurige, niet-ademende outfitje. Ik moest mij natuurlijk ook tijdens de loop als een waardig ambassadeur voor The Melting Shop presenteren, ondanks het feit dat ik na één ronde al zwaar in de verrotting liep.

Even nam ik de tijd om al wandelend twee bekertjes water tot mij te nemen – dat had ik wel verdiend. Dat gaf Karin de gelegenheid om zich weer bij mij te voegen. Tezamen vervolgden wij onze weg over de Kleiweg, waar alweer geen vertegenwoordiging van TMS te vinden was. Wel stond Elfriede nog steeds langs de kant van de weg de liefde van haar leven vooruit te schreeuwen. Ook collega-Goudse Runners Ad en Govert waren langs de kant te vinden om hun loopgroepsgenoten verbaal te ondersteunen. Mijn grote Chinees-Nederlandse vriend Chuen (afstammeling van Dzjengis Khan!) stoomde voorbij: hij moet altijd even op gang komen, maar dan gaat de grote Chinese Beer ook helemaal los. Geen moment kwam het in me op om hem bij te sloffen - ik had het al druk genoeg met mijn eigen penibele en oververhitte situatie.

Aan het eind van de Crabethstraat, vlak bij het prachtige Goudsche Station, stond een dweilorkestje de longen uit het lijf te spelen teneinde ons voort te stuwen. Waarvoor dank. De gang rond het IJzeren Heinenpark is altijd een moeizame: er liggen klinkers en snelheidsbegrenzende heuveltjes, en die maken het bepaald niet gemakkelijk voor de toch al zo vermoeide loper. Na het park volgt de Van Swietenstraat, een gezellige doorkomst begeleid door dolenthousiaste supporters. Bij elke doorkomst deelde ik de nodige high en low fives uit aan een ieder die daar - al dan niet - behoefte aan had. Aan het eind van de straat draaien we dan weer de Kattensingel op, eerst tweehonderd meter naar rechts en dan na een 180-gradendraai weer langs de singel terug richting Kleiwegbrug en binnenstad. Kunt U het nog volgen? Karin had in ieder geval moeite te volgen, maar ik kon zien dat ze zich vol wilskracht een weg aan het banen was door haar eigen misère. Ze zou het wel redden bedacht ik mij, en gerustgesteld draafde ik voort richting de nauwe straten en steegjes in downtown Gouda.

Bij de tweede doorkomst laafde ik mij wederom overvloedig. Opnieuw moest ik mij door de Kleiweg begeven, een ware martelgang want het plaveisel in deze winkelstraat loopt verre van comfortabel. Terwille van een adequate waterafvoer loopt de straat niet egaal in de breedte, en bij deze derde doorkomst begon ik daar wel wat last van te krijgen. Gelukkig was daar weer Elfriede, die nu met TMS-loper Saïd langs de kant stond om mij door mijn ondraaglijk lijden heen te slepen. Aan de Kop van de Kleiweg, bij de Kleiwegbrug, pleegt trainer Rob zich altijd te installeren om zijn discipelen aan te moedigen en waar nodig bij te sturen. Op dat punt, moet U weten, komen de atleten van de 10km liefst zes maal langs. Ditmaal was Rob vanwege een retraîte op Texel helaas niet van de partij, waardoor ik geheel mijn eigen plan moest trekken. Daar gaan we volgend jaar betere afspraken over maken bedacht ik mij grimmig terwijl ik over de Kleiwegbrug heen zwoegde.

Hoogstwaarschijnlijk doordat ik besefte dat de laatste ronde was ingegaan en het lijden ten einde zou komen, verteerde ik park en singel ditmaal iets gemakkelijker dan tijdens de twee voorafgaande ronden. Aan het eind van de Kattensingel ontwaarde ik loopmakker Wim, die aan zijn eigen loodzware tocht bezig was. Hij moest nog om het park heen en over de Kattensingel, en ik had inmiddels naar schatting tien minuten voorsprong op hem opgebouwd. Zijn dochter was bij de voorlaatste finishdoorkomst uit piëteit het parcours opgesprongen om het laatste rondje met hem mee te lopen. Wat een engel toch. Ook met Wim zou het dus wel goedkomen, en gerustgesteld door die gedachte banjerde ik vrolijk voort.

Terug in de binnenstad, al ploeterend over de Nieuwehaven, werd ik uiterst meewarig aangestaard door GR-icoon Hans. Tijdens de hersteltraining twee dagen na de Singelloop zou ik ongetwijfeld de nodige aanmerkingen gaan krijgen op mijn loopstijl, race-indeling en vooral mijn mallotige outfit. Een Goudse Runner onwaardig – ik hoorde het hem nu al bestraffend zeggen. Ietwat bedrukt zwalkte ik voort, geflankeerd door een uitzinnige menigte. Vele malen werd mijn naam gescandeerd, alsof ik de enige atleet was die zich over het parcours begaf. Nou ja, in ieder geval was ik de enige die als kanarievogel vermomd rondliep daar. Na 150 meter op de Nieuwehaven slaat het peloton een nauwe steeg in: de Lange Dwarsstraat. Aan die steeg grenzen ontelbare kleine huisjes, en de bewoners daarvan waren in groten getale uit hun bastionnetjes gekropen om er een gezellig straatfeestje van te maken. Het was duidelijk te merken dat het alcohol-, weed- en nicotinegehalte inmiddels ver boven Nieuw Gouds Peil was uitgestegen. Knetterstoned en straalbezopen waggelde ik de Turfmarkt op – er waren nog 300 meters te gaan.

Na het doorwaden van de Naaierstraat, die overigens reeds een eeuw geleden is gedempt, slaat het peloton de Korte Groenendaal in. Meteen aan het begin daarvan staat een paal, een soort van Amsterdammertje die - als je niet oplet - stevig op kruishoogte kan inkomen. In de afgelopen edities werd steevast dezelfde vlijtige ambtenaar van de Goudse Handhaving vlak voor de paal geposteerd. Deze persoon was uiterst geschikt voor de taak gezien zijn omvang. Als je tegen hem zou aanlopen zou je hooguit drie meter worden teruggestuiterd – maar je edele delen zouden gespaard blijven. Tot mijn schrik had ik bij de eerste doorkomst al gezien dat de paal ditmaal onbeschermd was, dus was het elke keer opletten geblazen - zeker nu het ook al aardig donker werd. Behendig ontweek ik ook ditmaal het obstakel en zette ik aan voor de laatste meters op de Markt. Eindelijk was de eindstreep daar, en met een laf sprintje stortte ik mij er uitgeput overheen. De directie van The Melting Shop kon trots op mij zijn: ik had het vaandel tien lange kilometers gedragen en het uiteindelijk over de finish gesleept. De strijd was gestreden, het leed was geleden.

Nadat mij een prachtige medaille was omgehangen werd ik op de schouder getikt door een dame die mij uitbundig dankte voor het haaswerk in de laatste twee kilometers. Verbaasd keek ik haar aan: ik wist werkelijk van niets. Mogelijk had zij zich geruisloos in mijn kielzog genesteld en had zij al even geruisloos mijn spoor gevolgd. Ik mompelde dat ik dat graag gedaan had, groette haar beleefd en draaide mij om teneinde te finish van Karin te aanschouwen. Na iets minder dan een minuut kwam ook deze dappere GR-krijgster onder het finishdoek doorschrijden. Haar missie was volbracht: ruim onder het uur eindigen was iets dat zij vooraf voor onmogelijk had gehouden.

Terwijl ik talloze bekertjes water door mijn dorstige keelgat liet kolken (nou ja, niet die bekertjes natuurlijk) voegde ook Elfriede zich bij haar uitgeputte levensgezel. Behendig sleepte zij mij weg uit de drukte, naar een rustiger plekje op de markt - daar kon ik pas echt op adem komen. Vervolgens troonde zij mij naar het podium en maande mij om erop te gaan staan. Hier werd de foto geschoten die dit artikel opsiert. Een prachtige foto waarin mijn ranke kanariegele gestalte scherp aftekent tegen de donkere avondlucht. Een foto die ongetwijfeld zijn weg zou gaan vinden richting de website en de Twitter- en Facebookomgevingen van The Melting Shop. Ze konden trots zijn op mij, de twee gezusters. Na al deze plichtplegingen kon ik uiteindelijk mijn nylonnen dwangbuisje afdoen ten faveure van wat luchtiger kledij.

Samen met een groepje die-hard Goudse Runners bezochten wij vervolgens het aan de markt gelegen etablissement Swing voor de afterparty. U moet weten dat voor ons Goudse Runners de afterparty een essentieel onderdeel is van de Goudse Singelloop. Rustig verliep de party echter niet. Er speelde dreunende live muziek vlak bij het tafeltje waaraan wij ons hadden genesteld. Ondanks de kakofonie van geluiden in het overvolle café trachtten wij nog zinvolle gesprekken op te tuigen over de zojuist geleverde inspanningen. Maar al snel begonnen mijn hoog-sensitieve oren te tuten. Ik kan tegen een hoop geluid en een hoop impulsen, zolang er van mij maar niets verwacht wordt. Maar het voeren van een gesprek in zo’n pokkenherrie: dat trekt mijn batterijen in één klap finaal leeg. En er was überhaupt al niet veel peut meer in de tank na de marteltocht die ik als vlag vermomd had doorstaan. En dus verlieten mijn lief en ik na een uurtje deze lawaaifabriek en wandelden wij vermoeid doch voldaan naar ons liefdesnest. Hand in hand zoals altijd, en voor altijd.

Het was duidelijk: de Goudse Singelloop was weer een buitengewoon geanimeerd evenement gebleken, en voor mij een uitstekende voorbereiding op de Dam-tot-Damloop een negental dagen later. Met de hersteltraining van zondag in het vooruitzicht, aangevuld met nog één of twee intervaltrainingen, zou het warempel toch moeten lukken bij het volksspektakel tussen Amster- en Zaandam. Maar daarover meer in een volgend opstel.

Foto's bij deze blogpost

IMG-20190913-WA0018.jpg 3-km.jpg

Mijn allerzwaarste (en allerlaatste?) loop (2 reacties)

Gepost door Arranraja op donderdag 10 oktober 2019 11:15

Rijk geïllustreerd te bezichtigen op: https://arranraja.wordpress.com/2019/10/10/mijn-allerzwaarste-en-allerlaatste-loop/

Eigenlijk heb ik er de afgelopen jaren nooit bij stilgestaan. Ja, uiteraard wist ik dat de Dam tot Damloop wat betreft het aantal deelnemers de grootste loop van ons land is. En als je er dan uiteindelijk erover nadenkt, is het niet onlogisch dat deze ren (ongetwijfeld mede om die reden) ook populair is bij veel ongetrainde en/ of onervaren lopers. Het klinkt tenslotte niet verkeerd als je kunt zeggen dat je de DtD voltooid hebt. Waarom deze inleiding? Welnu de DtD was weer eens in het nieuws. En niet vanwege het gegeven dat opnieuw een enorm aantal (40.000+?) moegestreden maar blije renners zoals ieder jaar de route van Amsterdam naar Zaandam succesvol aflegden. Nee, het was die dag eind september ongewoon warm. Een gegeven dat deze lange en behoorlijk zware trimloop voor slecht-voorbereide lieden nog een stuk lastiger maakte om te verhapstukken. Aan mij is het volledig voorbijgegaan maar het schijnt dat de door de hitte bevangen lopers bij bosjes langs de route lagen. Reden voor de organisatie om tegen het einde een startverbod uit te vaardigen voor de laatste 4000 (individueel aangemelde) lopers. En die zaken werden uiteraard voor het voetlicht gehaald door de media. Want negatief nieuws is veel interessanter dan de gewoonlijke usance van die ontelbare finishers.

Ik had echter zo mijn eigen sores. Ongeveer halverwege de meimaand heb ik al kond gedaan van rugklachten die een paar weken eerder mijn deel waren geworden. Ik wijdde er zelfs een hele blogpost (link:een vermomde zegen) aan. En ik moest in die maand een paar van mijn vaste trimlopen overslaan. Gelukkig (b)leek het euvel na vier weken niet-hardlopen tijdig genoeg bezworen om in juni samen met vriend en privéhaas Peter in A’dam-Zuidoost en Weesp van start te kunnen gaan. Helaas kwamen de klachten daags na de laatstgenoemde loop weer terug en was ik zo onverstandig om direct erna midweeks mijn gebruikelijke duurloop toch door te zetten. Waardoor de klachten verergerden. Opnieuw volgde een onthouding van deze keer vijf weken, die gelukkig gedeeltelijk samenviel met de tropische periode afgelopen zomer, waarin het dus voor mij sowieso te heet was om te gaan rennen. Begin augustus was ik weer klaar voor een herstart en liep ik achtereenvolgens 6, 8 en 10 kilometers. De keer dáárna ging de rug na ongeveer 6 km toch opnieuw zeuren maar nu op een andere plek dan voorheen. Ik stopte direct en nam hernieuwd anderhalve week rust, waarin ik wel een paar flinke fietstochten maakte.

Eind augustus ging de tijd, in verband met de naderende Dam tot Damloop, wel erg dringen en stak ik wederom van wal. Ik bouwde noodgedwongen snel op van twee keer 7 km via 10 naar 15 km. Telkens nam ik paracetamol om het ergste ongemak enigszins te temperen. 12 km en nog een keer ruim 15 volgden en waren met die kleine, witte helpertjes redelijk goed te doen. Midweeks vóór de DtD besloot ik bewust rust te houden om op manier het lichaam zo optimaal mogelijk voor de zware klus te prepareren. Want, teruggrijpend naar mijn inleiding, deze grootste loop van Nederland is voor bijna niemand een sinecure. Nee, zowel door de grote drukte erop, alsook door het parcours zelf is het de zwaarste loop die ik op mijn programma heb staan. Zwaarder bijvoorbeeld dan de halve marathons die ik in Het Twiske en langs het riviertje De Gein heb voltooid. Je zou denken dat lopers met weinig kilometers in de benen er verstandiger aan doen een lichter evenement te kiezen. Door mijn lichamelijke toestand zou het nu ongetwijfeld een nog extra zware bevalling worden. En daags tevoren bleek het dus ook nog eens zomers warm te gaan worden op die 22ste september van het jaar onzes heren 2019. Waarom dan niet gewoon verzaakt, de pijp aan Maarten gegeven, het bijltje erbij neergelegd, de weg van de minste weerstand gekozen? Welnu, dit moest mijn tiende, achtereenvolgende DtD gaan worden. Die tiende keer opeenvolgend de zwaarste loop verhapstukken wilde ik gewoon halen. Iedere andere trimloop, zelfs die uit mijn persoonlijke top vijf, zou ik hebben laten schieten, laten lopen. Maar niet de DtD, mijn eersteling van negen lange jaren geleden, waarmee ik een haat-liefderelatie onderhoud.

De nogmaals geraadpleegde huisarts had mij inmiddels voor een röntgenfoto naar het ziekenhuis gestuurd. De vrijdag voorafgaande aan die warme zondag werd deze geschoten. Wat ik uit navraag bij mijn gezondheidscentrum die dag leerde, was dat een doorverwijzing naar de orthopedisch chirurg geadviseerd werd. De details zou ik pas een dag na DtD-day van mijn eigenste dokter vernemen. Geen moment twijfelde ik er kort voorafgaand echter meer over, ik zou de uitdaging aangaan en die tiende medaille desnoods wandelend binnenslepen. Mocht mijn lichaam in het vervolg ongeschikt verklaard worden om nog te rennen, dan had ik mijn hardloopcarriere in ieder geval afgesloten op het hoogst denkbare niveau en in overeenstemming met de aanvang negen jaar geleden. Want zoals gezegd was de DtD in 2010 mijn eerste georganiseerde loop ooit.

Wat betreft training en het aantal van te voren hoeveelheid afgelegde kilometers, was ik er min of meer klaar voor. En toen duidelijk werd dat de temperatuur een belangrijke rol ging spelen, nam tevens ik een aantal maatregelen. Daarbij volgde ik de meeste aanbevelingen dienaangaande van de organisatie op. De hoeveelheid kleding was voor mijn doen minimalistisch met slechts een enkel wit shirt met korte mouwen. Daarmee liet ik het door de ex-werkgever verstrekte en uit donkere kleuren bestaande teamshirt in de tas. En uit de lichtstgetinte korte broek die ik bezit, knipte ik de überhaupt overbodige binnenbroek. Daaronder had ik deze keer niet de extra compressiebroek die ik altijd pleeg te dragen. Aan mijn riem hingen twee bidons, één met sportdrank en eentje met water, waaruit ik van meet af aan zeer geregeld slokken nam. Gezicht, nek, armen en knieën waren ingesmeerd met zonnebrandcrème. Een pet met zonneklep en een zonnebril behoren altijd tot mijn standaarduitrusting, daar veranderde nu uiteraard niets aan. Op de laatste twee, belangrijke aanbevelingen kom ik straks nog terug.

Kort voor het middaguur arriveerde ik op Amsterdam Centraalstation. Het afgeven van de plastic tas met droge kleding voor na de finish was weer eens een drama. Eerst had ik wat moeite om de vrachtwagen met het relatief lage nummer te vinden op het busstation aan de IJ-kant. En toen ik die eenmaal ontdekt had, moest ik mij een weg banen door de menigte van medelopers die, om mij volkomen onbegrijpelijke redenen, altijd samendrommen en staan te keuvelen vlak voor die afgiftepunten. Zoals ieder jaar was ik weer erg blij dat ik deze plek kon verlaten. Het zou dus heel warm worden die dag maar daar was op het teamsamenkomstpunt aan de stadszijde van het station niets van te merken. Op de Odebrug waar de officiële foto’s van de businessteams geschoten werden, kwam zelfs een heerlijk verkoelend windje aanwaaien van over het aanpalende water vanuit de richting van het Nemogebouw. De loper die later in de media verklaarde dat het onverantwoord was geweest om na 12:00 uur nog renners te laten vertrekken, werd om die reden door mij voor gek verklaard. Mijn start was om 12:30 uur en ik heb onderweg wel veel mensen zien wandelen maar geen loper in nood in het vizier gehad. Alleen in de 15e km kwam er één heel raar rennende jongeman voorbij die even later onderuit ging. Het komt wel vaker voor dat er deelnemers zijn die zich niet volgens de regels der kunst voortbewegen. Dus op dat moment ging ik uit van iemand met een ongecoördineerde motoriek. Het kan echter goed zijn dat ik dat volkomen verkeerd heb ingeschat en dat deze loper het slachtoffer was geworden van de onderschatting van de hitte. De aangename wind voelde ik trouwens ook op de route op meerdere plaatsen. Ik haalde dan direct de pet van het bolletje om de kop optimaal te laten genieten van het verfrissende effect van die wapper.

Niet het goed doorstaan van de warme omstandigheden waren mij een zorg. Nee, door de frequente deelname aan de loopjes in tropisch A’dam-ZO en het immer warme Weesp durfde ik mijzelf wel te kwalificeren als ervaringsdeskundige op dat terrein. Mijn twijfel ging geheel en al over de vraag of de gekwetste rug zou willen meewerken c.q. deze zware tocht op aanvaardbare wijze zou kunnen volbrengen. Een eerste antwoord kwam meters na de startstreep. Mijn achterzijde voelde direct onprettig aan en dit zou derhalve een loodzware loop gaan worden. Maar ik had ‘A’ gezegd, mijn tas was al op weg naar Zaandam, ik had de trossen losgegooid. Ergo, ik ontkwam niet aan ‘B’ en moest die 16,093 km/ 10EM min of meer rennend zien af te leggen. Vanwege het ongemak liep ik verre van soepel en kwam ik maar langzaam vooruit met een snelheid dik onder de 9 per uur. Laat dat nou net een van de belangrijkste, eerder aangehaalde aanbevelingen van Le Champion zijn geweest: doe het vooral kalm-aan, loop rustig en probeer vooral geen pr te verbeteren. Hier was een groot nadeel voor mij toevallig een aanzienlijk voordeel. Ik kon eenvoudigweg niet sneller en dat was maar goed ook. De enige doelen die ik mijzelf gesteld waren: de eindstreep bereiken en het liefst wel binnen de twee uur.

Al achteraan het startvak weggegaan, kwam ik door die geringe snelheid vrijwel compleet in de staart te lopen. Daarbij had ik niet het idee dat er korte tijd later nog eens een tweeduizendtal enthousiastelingen was weggeschoten, want er kwamen lange tijd geen snelle lieden mij achterop. Sterker nog, ondanks de geringe snelheid had ik het idee zelf meer op te rapen dan ingehaald te worden. Ik heb het vermoeden dat ik nog nooit zo’n rustig DtD-parcours heb afgewerkt. Een gegeven dat gezien mijn krakkemikkige lichamelijke staat een zeer prettige bijkomstigheid was. Na een uiterst moeizaam eerste stuk, kwam er na de IJ-tunnel toch een min-of-meer vol te houden cadans in mijn hobbelpas. Ik had weer tijd om rond te kijken naar de lotgenoten op de route. Er werd al vroeg gewandeld, o.a. door een jongedame die een gewone lange broek droeg en een rugtas. Samen met een wel in renkleding gestoken maatje, zette zij soms even tot looppas aan om dan weer terug te vallen naar wandeltempo. Het in het verleden immer aangename (want breed en relatief rustige) stuk Nieuwe-Leeuwarderweg leek nu in mijn beleving, moeizaam als ik mij voortbewoog, erg lang te duren. Ik realiseerde mij dat de afstand tot de finish in Zaandam nog lang was en werd niet heel blij van dat vooruitzicht. Aan de andere kant vond ik het sterk dat ik de pijn trotseerde en die tiende vetleren plak ging proberen te halen. Dat hield mij op de been en in iets dat doorging voor looppas. De aangeboorde adrenaline deed inmiddels ongetwijfeld ook zijn oppeppende werk.

Pas na 5 km zou ik even een stukje gaan wandelen. Op dat punt gekomen kon ik toch nog wel even voortdoen en zo schoof ik de eerste wandelpauze telkens wat naar achteren. Bij de eerste verzorgingspost na 4 km hadden ze helaas geen sponzen in de aanbieding, anders had ik het verhitte hoofd al kunnen gaan lappen. Dat hoofd had al menig aanslag van door de organisatie ingehuurde geluidsterroristen overleefd. ‘Platenpoetsers’ die meestal ook nog onder bruggen stonden, zodat de door hen geproduceerde herrie nog eens extra galmde en weerkaatste. Blij was ik met de oudere diskjockey die op de plek waar voorheen de allerergst denkbare laweit vandaan kwam, juist toen ik er voorbijschoof de Herman van Veen-klassieker ‘Opzij’ aan het draaien was. Mijn stappen pasten zowaar gevoelsmatig precies in het ritme van dit voor oudere hardlopers zoals ik herkenbare en stimulerende deuntje. Dat was even een prettig momentje tijdens mijn martelgang. Meters verderop ging ik langzaam aan een wandelende jonge vrouw voorbij. Ik vroeg haar nog het nog wel ging, een vraag die zij bevestigend kon beantwoorden. Daarna kwam deze jongedame meerdere malen aan mij voorbijrennen om vervolgens weer tot slakkengang terug te vallen.

Her en der op de weg gerichte tuinslangen ontwijkend, wist ik het moment van wandelen uit te stellen tot aan de fruitpost op ongeveer de helft van het traject. Zodra ik stopte, voelden mijn benen wat stijf en vermoeid aan. Ongetwijfeld een gevolg van het feit dat ik nu niet bepaald soepel aan het rennen was. Ik nam al wandelend de tijd om twee halve bananen naar binnen te werken. Twee hele exemplaren waren vóór de start al dezelfde weg gegaan, aangezien een normale lunch er bij een startschot juist voor schafttijd vanzelfsprekend niet inzat. 500 meter verder langs het pad was er een volgende drankpost die, de hemel zij geprezen, wel lapzwansen in het assortiment had. Ik palmde er, onbescheiden als ik heel soms kan zijn, meteen een tweetal in en begon verwoed te boenen en te vegen. Terwijl ik daarmee druk doende was, toucheerde een onverlaat mijn linkerzijde. Hetgeen aan mij enige minder vriendelijke kreten in zijn richting ontlokte. Dat was fortuinlijkerwijze de enige keer deze rit dat mij een dergelijke ongewenste aanraking ten deel viel. zoals vermeld kwam het mij voor dat ik meer renners opraapte dan andersom. Een daarvan was Ingrid, de enige teamgenoot die ik onderweg tegenkwam. Op mijn vraag of zij het ging redden, was het antwoord positief, maar Ingrid deed het rustig-aan, want zij had last van de warmte.

Juist voor het arriveren bij de fruitpost, moest ik een medeloper streng toespreken met: ‘lijn houden graag’. Want hij kwam wel erg veel naar binnen toen ik hem in een bocht naar links juist aan het passeren was. Bij de daaropvolgende haak meters verderop, was een klein blaasorkest een prachtig stukje muziek aan het spelen. Of het iets klassieks was of een meer populair deuntje heb ik niet precies kunnen registreren. Wel was het, zeker vergeleken bij de heipalenmuziek die overal langs de route de lucht in geslingerd werd een genot voor de oren, althans voor die van mij.

Ergens in de buurt van de gemeentegrens tussen de hoofdstad en Zaanstad, zag ik een bekende verschijning langskomen. Het waren de onmiskenbare renbewegingen van de relatief jonge renner die ik tijdens mijn duurloopjes langs het kanaal zeer geregeld ontmoet. Hij steekt dan immer zeer vriendelijk kijkend de hand naar mij op. Ik riep hem nu nog iets na in de trant van ‘mijn loopmaatje van langs het kanaal’, maar heb geen flauw idee of hij daar iets van heeft meegekregen. Er kwam in ieder geval geen teken van herkenning of iets dergelijks. De eerste acht kilometer hield ik het ondanks de lichamelijke ongemakken dus aardig vol. De bananen, sponzen en het wandelstukje kon niet verhinderen dat daarna de klad er lichtelijk inkwam. Ongetwijfeld ook door de hoge temperatuur raakte ik vermoeider en ging de rugpijn daardoor meer voelen. Bij het 10-kmpunt stonden camera’s opgesteld. Daar kon ik nog net hobbelend langs om vervolgens de draf ten tweeden male te verruilen voor de wandelpas. Ik bevond mij nu in het niemandsland tussen de twee genoemde steden en helaas was de brede weg grotendeels in de zon. Het leek hier terplekke trouwens wel wat op de Vierdaagse van Nijmegen, want er werd door een fiks aantal lopers gewandeld. Allemaal verstandige lieden die niet intern oververhit wilden raken en gezond de eindstreep overschrijden.

Over alle kilometers waarin ik wandelde deed ik ongeveer 8 minuten en de bijna complete 11e was daar een van. Toch lag ik nog steeds op schema om binnen 2 uur de monstertocht te volbrengen en ik zette opnieuw aan. De dijk met aan een kant vele industriële bedrijven leek ook nu weer eindeloos te duren. Na 12 km mocht ik van mijzelf wederom gas terugnemen maar uiteindelijk besloot ik dat uit te stellen. Eerst wilde ik tot 14 km doorhobbelen maar bedacht dat dat het begin van de door mij verfoeide Zuiddijk in Zaandam was. Dit is een vrij smalle klinkerstraat waar het altijd loeidruk met publiek en oorverdovend lawaaierig is. Behalve tijdens mijn allereerste deelname, heb ik die ruime kilometer aldaar om de zojuist genoemde redenen steevast verafschuwd. Daar wilde ik derhalve beslist niet gaan wandelen. Dus deed ik voort tot de bocht aan het einde van de eerder genoemde dijk en liet daar mijn tempo zakken. De route beschreef hier een u-vorm met onderin verversing. In het langswandelen doopte ik mijn twee sponzen in de met nog meer exemplaren gevulde bak met koel water. Nauwelijks had ik mijn linkerhand er weer uitgehaald of ik voelde iemand aan een spons trekken. Een renster dacht zeker dat ik tot het uitdeelpersoneel behoorde en wilde zo’n nat ding van mij meegrissen. Ik hield echter voet-bij-stuk en de sponzen voor mijn eigen gerief. Een renster met een duidelijk Vlaamse tongval, die ik klein stukje met mij op wandelde, deelde haar verbazing over het feit dat de weersomstandigheden nog zwaarder waren dan vorig jaar toen het koel en kletsnat was.

Na precies 14 km zette ik het voor de laatste maal op een lopen. De wandeling en het gelijktijdige sponslappen hadden mij blijkbaar goed gedaan. Want ik kwam zowaar redelijk vooruit. Nu wist ik het zeker: ik zou de meet gaan halen. Ondanks de flinke lichamelijke beperkingen zou ik voor de tiende, opeenvolgende maal het felbegeerde eremetaal in de wacht slepen. Die vermaledijde Zaandamse Zuiddijk was opnieuw eindeloos en net als vorige jaren dacht ik op een gegeven moment het einde ervan in zicht te hebben. Maar dat was wederom een fata morgana. Ik trotseerde alle drukte en herrie en zag de eerder genoemde vreemd bewegende renner onderuitgaan. Alleen die ene waterstraal zag ik over het hoofd, kon niet anders dan er doorheen om direct een groot arsenaal aan waterdruppels pal voor mijn ogen op de brillenglazen te ontwaren. Het was nu niet ver meer en de twee bruggen over de Zaan werden eenvoudig genomen. Daar tussenin zorgde de mensenmassa’s achter de dranghekken aan weerszijden op de Dam voor nog wat extra impuls. De laatste brug over de naamgevende rivier ervoer ik niet eens meer als een zware hobbel. Ik kwam in een soort lichte trance en wist wat mij te doen stond: voorthobbelen tot ik over die twee zware matten was geraakt. Ik had even voordien al op mijn horloge gezien dat ik ruim binnen de twee uur koerstijd zou blijven. Aan die voorwaarde had ik dus al voldaan.

Ik was niet eens kapot toen ik over de finish kwam, wel blij dat het erop zat en dat ik het gehaald had. Na even bijkomen en wat ultieme lapwerkzaamheden, begaf ik mij naar een van de sluizen alwaar de plakken en de flesjes werden uitgereikt. ‘Mijn tiende’, zei ik tegen de man die mij het kleinood overhandigde. ‘O, dan moet je nog even door’, was zijn afgemeten reactie. ‘Dat is nog maar helemaal de vraag’, dacht ik terwijl ik doorliep en de vernauwing verliet. Tijd om mijn vrouw te bellen, die al wist dat ik over de eindstreep was gekomen omdat zij mij had gevolgd via de DtD-app. Ik leegde mijn twee drinkflessen onder de neus, spoelde die en mijn wat plakkerige handen om en af onder een geïmproviseerde kraan. En beende, zo snel als mijn vermoeide onderdanen dat toelieten, naar mijn tas met droge kleding. Die had ik gelukkig snel te pakken en slalommend langs alle rencollega’s met aanhang die op die lange rechte straat bleven hangen, spoedde ik mij naar de dichtsbijzijnde kleedkamer, in die aftandse sporthal een eindje verder in de buurt. Daar vernam ik voor het eerst dat de wedstrijd vanwege de hitte en de vele bevangenen inmiddels was stilgelegd. D.w.z. dat de laatste startvakken een vertrekverbod hadden opgelegd gekregen. Dat zou vooral te maken hebben gehad met het feit dat de hulpverleners niet nog grotere hoeveelheden slachtoffers aankonden .

In de vaste, oude maar droge spullen begaf ik mij al broodetend op de overbekende, lange route richting de Nederlandse Spoorwegen. Er bevonden zich nog steeds renners op het parcours in de Peperstraat en de Zaankanters hadden zich niet laten afschrikken door de ontwikkelingen van de laatste uren. Want het was nog steeds goed druk op straat en vooral bij de uitspanningen die verkoelend vocht schonken. Zelf zocht ik op het laatste rechte eind naar het station De Koffiezaak op. Om aldaar een grote moccachino aan te schaffen en naar binnen te werken. De eerste slokken van die lekkernij smaakten niet zo best omdat ik eerst twee van die kleine witte pilletjes had opgekauwd. Mijn gekwetste rug had namelijk het nodige te verduren gehad en de pijn moest nodig weer even getemperd worden. Overal onderweg waren er uiteraard vele hardlopers getooid met medailles en de overbekende DtD-tassen in touw, evenals in de twee treinen die ik nam en op Amsterdam Centraal. Mocht dit daadwerkelijk mijn allerlaatste loop geweest zijn (er schijnt iets veranderd te zijn aan een paar van mijn rugwervels), dan zal ik dergelijke taferelen zeker gaan missen.

Anton was niet zomaar een loper !!!

Gepost door Arranraja op woensdag 9 oktober 2019 18:56

Lees op RunningPlus.nl mijn eerbetoon aan Anton, een heel bescheiden, maar vooral ook zeer bijzondere loper die ons is ontvallen.

https://www.runningplus.nl/2019/10/09/anton-was-niet-zomaar-een-loper/

Vechtloop in Vredestijd

Gepost door Peter de Haan op zondag 6 oktober 2019 23:18

Na de grote veldslag, geleverd in de Krimpenerwaard, had ik een vredespact gesloten met mijzelf en met alles en iedereen die mijn innerlijke rust in de weg hadden gestaan. De strijd was gestreden, het leed was geleden, er was slechts nog plaats voor pais en vree. Het had lang geduurd, maar eindelijk stond ik weer met beide benen stevig in de lucht. Bevredigd en verlicht zweefde ik richting een festijn dat negen dagen later, op zondag 30 juni AD 2019, op de hardloopkalender stond. En dat was niet zomaar een festijn, beste lezer. Loopvriend Arranraja en ik gingen op die laatste dag van de maand onze opwachting maken bij de 10km Vechtloop in en nabij Weesp. En dat alweer voor de vierde maal op rij. De eerste daarvan was echter wèl een loop over 15 kilometer, een afstand die – U weet het – inmiddels is geschrapt van de Vechtloopkalender.

Over die eerste editie gesproken: nog altijd staat op de thuispagina van de Vechtloop een afbeelding uit 2016, waarop te zien is hoe opdrachtgever en haas bij hun samenloopdebuut zich een weg banen door het struweel vlakbij manege Bleijenberg, start- en finishtoneel van de Vechtloop. Destijds gaven wij na spijkerharde onderhandelingen ons fiat voor plaatsing van dit kiekje. Sindsdien is het bij niemand meer opgekomen om het te verwijderen en te vervangen door een meer eigentijdse prent. Maar ach, van goede dingen neem je vanzelfsprekend niet zo gauw afscheid. En uiteraard vangen wij nog jaarlijks de royalties die ons toekomen en waarmee wij ons in leven kunnen houden.

Toch is dit niet de enige bron van levensonderhoud, U zult dat begrijpen. Ten eerste zijn er de ruime gages die mijn opdrachtgever mij telkenmale toebedeelt. Maar ook mijn doordeweekse geploeter op de werkvloer levert de nodige grijpstuivertjes op waarmee de eindjes aan elkaar geknoopt kunnen worden. Helemaal aan het begin van juni had ik besloten mijn betrekking bij Terre des Hommes in te ruilen voor een lucratievere en stabielere job bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Een heel zware beslissing, want werken bij Terre des Hommes betekent werken bij een organisatie waarin prachtige bevlogen mensen zich bezig houden met prachtige en zeer nobele doelstellingen. De strijd tegen uitbuiting van kinderen is een strijd die mij, nota bene als notoir pacifist, enorm na aan het hart ligt. Maar met pijn in datzelfde hart moest ik een keuze maken voor meer stabiliteit. Het kostte mij even de grootste moeite om ‘on terms’ te komen met die beslissing en er uiteindelijk vrede mee te hebben. Totdat ik, zo ongeveer ten tijde van de Haastrechtloop, inzag dat het zo goed was. Ik had wel gedaan en zag niet langer om.

De Vechtloop zou voor mij de toespijs vormen van het rijk gevulde voorseizoen. Vorig jaar verleidde ik mijzelf in juli nog tot een run down memory lane in Leiderdorp, maar dat beschouwde ik als een éénmalige gebeurtenis, een mooi eerbetoon aan mijn moeder èn aan de plaats waar ik het grootste gedeelte van mijn jeugd had doorgebracht. Dit jaar vond ik dat ik, samen met mijn opdrachtgever, tot een waardige afsluiting moest komen tijdens deze laatste voorjaarsklassieker langs de Vecht. Echt goed voorbereid op dat festijn was ik evenwel niet: de gebeurtenissen in Haastrecht hadden mij mentaal bevredigd doch fysiek gesloopt. En zo kon het zijn dat mijn Sauconietjes een dikke week lagen te verkommeren op het loopschoenenrek. Het zou dientengevolge een behoorlijk koude herstart worden op 9 juni, ondanks de warme weersvooruitzichten.

Intussen had ons Goudse Runners het droevige bericht bereikt dat GR-trainer Ed tijdens een duurloop samen met zijn loopvriend Wim plotseling was overleden. Dat was een grote schrik, en het zette iedereen enorm aan het denken over de onvoorspelbaarheid van het leven en het feit dat het dus ook voor een getrainde hardloper ineens voorbij kon zijn. Ik herinner mij Ed als een fijne bescheiden persoon en ik koester die keren dat hij samen met Wim mij kwam supporteren bij de Singelloop van Woerden (2016) en bij de Halve van Amsterdam (2017). Moge hij rusten in vrede.

Voor de barre tocht naar Weesp moet altijd de nodige slack worden ingebouwd, dus had ik de elektronische haan op deze wedstrijdzondag al vroeg het reveil laten kraaien. Voor dag en dauw zaten heer en vrouw des huizes keurig opgeprikt aan de ochtenddis. Brinta schafte de pot voor mij, zoals altijd. Een krachtiger start van de dag valt er niet te bedenken, zo lezen wij althans op de smaakvolle verpakking. Dit ochtendpapje wordt vergezeld door flinke hoeveelheden koffie, die voor mij als kruiwagen dienen - U weet dan vast wel wat ik bedoel. Na het omkleden, inpakken en plegen van enige sanitaire plichten vertrok de heerser van het kasteel naar het plaatselijke station, nagezwaaid door zijn heerseres. By the way: had ik al eens verteld dat Gouda een wansmakelijk station heeft? Zo ja: dan mijn oprechte excuses. Zo nee: dan heeft Gouda een wansmakelijk station.

Het was een rustige, vredige en zonovergoten zondag. Er waren geen krijskinderen of lawaaipapegaaien in de trein naar Utrecht te bekennen – en datzelfde gold godzijdank voor de boemelreis van de Domstad naar Weesp. Heerlijk mediterend op de muziek van Laura Nyro verplaatste ik mij eerst door het Groene Hart, en vervolgens door het Gooi. Laura was een absoluut fenomeen – zij is veel te vroeg gestorven maar heeft ons gelukkig een prachtige muzikale erfenis nagelaten. En dankzij mijn maandelijkse Spotify-tientje kon ik daar met volle teugen van genieten tijdens deze reis.

Om even na half elf arriveerde ik op het station van Weesp. By the way: had ik al eens verteld dat Weesp een wansmakelijk station heeft? Zo ja: dan mijn oprechte excuses. Zo nee: dan heeft Weesp een wansmakelijk station. Dat schept een band met Gouda, waar de situatie al net zo erg is. Het zou nog even duren voordat mijn loopmakker vanuit Diemen zou arriveren, ditmaal per fiets. Om de tijd te doden nam ik plaats op een bankje schuin voor het station. Vanaf een belendend bankje werd ik vervolgens vol overgave aangestaard door een tweetal vrouwspersonen, hoogstwaarschijnlijk behorend tot de inheemse Weesper bevolking. Had ik iets van ze aan soms? Of dachten (hoopten?) zij soms dat ik hen iets te bieden zou hebben, iets wat zij wellicht schromelijk tekort kwamen in hun privéleven? Ik voelde hun ogen voortdurend op mij gericht, alsof zij wilden aangeven dat ik nu aan zet was. Ze hadden gelijk: dat was ik ook. Er moest nu snel en effectief gehandeld worden, maar hoe? Plotseling ontwaarde ik mijn loopmakker aan de poort van het station en beende ik met grote passen weg van de danger zone richting mijn opdrachtgever. Gevaar geweken.

Onze begroeting was zoals gebruikelijk weer allerhartelijkst – en het viel mij op dat hij geen steek was veranderd sinds de laatste keer dat wij elkaar zagen. Gezellig keuvelend over vrouwen en voetbal wandelden Arranraja en ik langs de boorden van de Vecht richting manege Bleijenberg. Het nationale vrouwenteam had daags ervoor in de bloedhitte een WK-kwartfinale winnend verhapstukt (bron: Arranraja) dus dat leverde voldoende stof op voor diepgaande gesprekken. En op zo’n manier ben je voor je het weet op je bestemming. Monter en vol wedstrijdadrenaline betraden wij de Weesper drafbaan, zoals eerder aangegeven het start- en finishdecor voor vandaag.

Na het confisqueren en monteren van de startnummers gaven wij onze tassen in depot. Tot mijn vreugde en ontroering bleek de dienstdoende vrijwilliger mij te herkennen van voorafgaande edities van deze Vechtloop. Vreemd genoeg herkende hij Arranraja niet, terwijl mijn loopgezel zo ongeveer sinds de allereerste uitgave van deze loop acte de présence geeft. Die Weespenaren hebben blijkbaar iets met mij - dat bleek tenslotte ook al eerder op het station. Is het misschien mijn natuurlijke open uitstraling? Joost mag het weten, trouwens: veel gelegenheid voor bespiegelingen daarover was er niet. Inmiddels was het tijd geworden om eens even flink sanitair te verpozen en vervolgens de stramme lijven wat in beweging te krijgen bij de warming-up.

Vol overgave wijdden haas en opdrachtgever zich aan het inmiddels gebruikelijke inlooprondje langs de talloze woonboten aan de Vecht. Mijn loopspiertjes voelden goed na een dikke week rust, mijn kompaan gaf echter aan dat het bij hem allerminst soepel liep. Hmm een veeg teken, en daar moesten we dus tijdens de wedstrijd terdege rekening mee gaan houden. Koortsachtig bogen wij ons over het strijdplan: we hadden tevoren gedacht aan een kruissnelheid van 10 kilometer per uur, maar nu twijfelden we aan de haalbaarheid van dit snode plan. Snel bevielen wij van een nieuwe strategie. Weliswaar zouden we scherp inzetten, maar mocht na enige tijd blijken dat het doel niet kon worden behaald zouden wij de teugels laten vieren en zou comfortabel en verstandig uitlopen de nieuwe missie worden.

Voor een laatste maal werd afgedaald in de catacomben van de manege, dit om nog wat laatste druppels uit het kraantje te persen. Daarna namen wij plaats in de zandbak die zoals gebruikelijk als startvak dienst deed. Hierbij manoeuvreerden wij behendig langs de in grote hoeveelheden aanwezige paardenvijgen. Het is tenslotte een manege, en we waren slechts te gast daar, dan moet je verder ook niet zeuren. Als ware rotten in het hardloopvak monsterden wij onze tegenstanders en synchroniseerden wij onze horloges. Om klokslag negen over twaalf kwam het wachten tot een einde en werd de meute op weg geschoten.

Van meet af aan had ik in de gaten dat mijn loopmakker niet in grootse vorm stak. Het was onder andere te zien aan de wat moeizame manier waarop hij zich voortbewoog. Zijn reeds maanden sluimerende, en soms hevig de kop opstekende, rugblessure speelde Arranraja meer parten dan hij voor vandaag had voorzien. Althans: dat was mijn observatie. Nochtans besloot ik, als haas van dienst, hem in deze beginfase niet al te veel te sparen. Met een tempo van om en nabij de zes minuten per kilometer beenden wij langs het Torenfort op de Ossenmarkt en over de fraaie ophaalbrug over de Vecht het pittoreske stadje in. Zelf had ik wel wat te kampen met de warmte, maar het leek vandaag minder erg dan bij de loopjes in Tropisch Amsterdam en Haastrecht, eerder deze maand.

Om even in het ritme te komen had ik mijzelf en mijn looppartner in het kielzog gemanoeuvreerd van een tweetal hardloopdames. Zoals al meermalen gezegd: je hebt zo je voorkeuren. Eén van deze hindes droeg een shirt met het opschrift ‘If Found On Ground Please Drag Across Finish Line’. Nu kom ik uit een streng orthodox marinegezin, waar bevel bevel was en deserteurs voor de krijgsraad werden gesleept. Daarom maakte de gebiedende opdruk op het textiel van deze dame mij wat onrustig. Wat als zij nú al ter aarde zou storten? Dan zou ik haar een dikke 9 kilometer over het parcours moeten slepen, toch wel ruim 60 kilo schoon aan de haak schat ik zo. Pas na de finish zou ik haar kunnen droppen en haar aan haar lot kunnen overlaten. Dit was een vooruitzicht waarmee ik even niet goed kon dealen. IJlings gaf ik mijn kompaan het teken, en min of meer behendig slalomden wij langs deze twee dames heen en vervolgden wij onze weg met gezwinde spoed. Gevaar geweken.

De doorgang door het schilderachtige stadje viel mij vrij gemakkelijk. In het relaas van mijn loopvriend kunt U echter lezen dat hijzelf daar heel andere ervaringen mee had. Hoe dan ook: Weesp lag er weer mooi bij in het vroege middagzonnetje. Vele winkeliers hadden hun winkels geopend op deze fraaie dag – in dit behoorlijk heidense Amsterdamse stadsdeel werd het Oordeel klaarblijkelijk niet al te veel gevreesd. Hema open, Appie open, Blokker open, ach veel verandert er in Weesp ook niet door de jaren heen. Voor ons ontspon zich een bijzonder tafereel. Een grote buggy, met daarin een jongen van een jaar of tien, werd beurtelings voortgeduwd door een man en een vrouw, beiden gehuld in een Spieren-voor-Spieren shirt. Wij maakten daaruit op dat de jongen waarschijnlijk aan die buggy gekluisterd zou zijn en dat de hardlopers zijn ouders waren. De jongen vermaakte zich zo te zien opperbest met een muziekapparaat waaruit luide muziek klonk met een hoog aantal beats per minuut. Achter dit tafereeltje bleven wij even aanlopen – later op het parcours, zo tussen kilometer drie en zes, zouden wij voortdurend stuivertje wisselen.

Na het passeren van café De Walrus, waar de lucht van verschaald bier onze neusschelpen teisterde, bewoog het peloton zich zoetjes aan weer richting manege. De stal was goed ruikbaar (als je hardloopt ruik je alles!), maar om die stal te bereiken moesten wij er ons eerst 3.5 kilometer vanaf begeven, gevolgd door weer 3.5 kilometer terug. En dat alles langs de boorden van de Vecht, de rivier die vernoemd is naar de loop die er jaarlijks langs gehouden wordt. Arranraja was inmiddels al zo ver heen dat hij eigenlijk al wilde afsteken naar de finish. Maar daar stak ik een stok voor: dat was immers niet de afspraak, en afspraak is afspraak. Mokkend en schoorvoetend nestelde hij zich weer in mijn kielzog – er waren nog zeven lastige kilometers te gaan.

Het gedeelte langs de fraaie meanderende Vecht is met recht het mooiste gedeelte van deze loop. Regelmatig moest ik op mijn rempedaal trappen, om mijn opdrachtgever de gelegenheid te geven bij te blijven. Inmiddels snakten wij ook naar de eerste verversingspost op de route. Het was steeds warmer aan het worden dus verkoeling was zeer gewenst. Op het 4.5km-punt werden bekers water en sponsen uitgereikt, teken voor mijn kompaan om verwoed zijn hoofd en nek te gaan bewerken, en teken voor mij om al wandelend grote hoeveelheden water door mijn dorstige keelgat te kolken en nog een paar bekertjes over mijn bolletje uit storten.

Daarna vervolgden wij vlijtig onze weg. Op zo’n 5.5 kilometer streken wij neer op een in blauw gehuld manspersoon met een trompet in zijn hand. De weinige haren die ik nog op het hoofd heb rezen mij prompt te berge. Welke zichzelf respecterende hardloopatleet neemt nou in vredesnaam een trompet mee op een recreatieloop over 10 kilometer? Or any distance, for that matter. Deze schertsfiguur wel dus. Voor iedereen die hem passeerde - of die hem tegemoet kwam uit tegenovergestelde richting - had hij een serenade in petto als van een verkouden olifant met ADHD-kenmerken. Aan mijn immers hoog-sensitieve opdrachtgever kon ik zien dat bij hem de gal behoorlijk door de zuren begon te slaan, en bij mij was dat eigenlijk niet anders.

Even, heel even, kreeg ik een waas voor ogen. Een schier onbedwingbare neiging bekroop mij om de man op te pakken en hem met trompet en al in de woest kolkende rivier te kieperen. Dat zou hem wel een toontje lager doen blazen. Toch zag ik van dat alles af. Mijn verstand (lees: die ene hersen van mij) fluisterde mij bijtijds in dat zoveel negatieve energie niet aan de man besteed zou zijn, en ook dat het mij en mijn opdrachtgever danig uit ons broze evenwicht zou brengen. Het zou, kortom, de lieve vrede ernstig verstoren. Dus lieten wij zoals het was, verwijderden wij ons van deze toeteraar en deden wij ijverig voort langs de boorden van de maalstroom. Gevaar geweken.

Het valt elke keer weer behoorlijk tegen, dat stuk naar het keerpunt op 6.5 kilometer, vlakbij Fort Uitermeer. Gelukkig stond daar voor ons een buffet vol met versterkende en koelende middelen. Gulzig laafden wij ons en vervolgden even later onze weg – er was immers geen tijd te verliezen. Ik nam even de tijd om de situatie van mijn loopvriend te observeren en te beoordelen. Deze situatie kon als deplorabel worden gekenschetst. Het zag er simpelweg niet naar uit dat er vandaag een aansprekende prestatie zou worden neergezet door mijn opdrachtgever, en dat het haaswerk ook geen effect meer zou sorteren. Wel schatte ik in dat het behalen van de finish voor hem te doen moest zijn. Snel overlegde ik met mijn loopmakker, om zeker te stellen dat mijn gage voor de volle honderd procent uitgekeerd zou worden. Gerustgesteld door het antwoord nam ik vervolgens de benen, teneinde mijzelf nog even flink te testen. Dat zou om den drommel nog niet meevallen, want het leek maar warmer en warmer te worden.

Gelukkig liepen er voor mij talrijke mikpunten, geheel toevallig allemaal vrouwen. Dit gaf mij nog een dosis extra energie. Bevrijd van mijn haasverplichtingen snelde ik vooruit en raapte loopster voor loopster op. Bij elk van hen trachtte ik bij het passeren nog even een bemoedigend gesprek aan te knopen, maar het was eigenlijk aan geen van de dames besteed. Geen wonder ook als je je door de laatste kilometers van een inmiddels behoorlijk oververhitte loop aan het worstelen bent. Ik nam het ze dit keer dan ook niet kwalijk. Tot mijn grote vreugde zag ik dat diverse omstanders uit piëteit hun tuinslangen van stal hadden gehaald om ons lopers op een verkoelende douche te trakteren. Grif maakte ik daar gebruik van: het vergemakkelijkte de laatste fase van deze zware tocht aanzienlijk.

Naarmate de finish naderde groeide ook het aantal supporters langs de kant. Vol overgave cheerden ze de zwaar vermoeide hardloophelden richting die verrekte eindstreep, een eindstreep die nog zo gruwelijk ver verwijderd leek. De vermoeidheid en de hitte zorgden ervoor dat mijn benen langzaam volliepen en dat het steeds moeilijker werd het verhoogde tempo vol te houden. Toch wilde ik van geen wijken weten: enige tientallen meters voor mij liep een groepje en daar moest en zou ik op af. Het zou mijn eer te na zijn, als ik deze atleten niet bijtijds kon verschalken.

Met een laatste krachtsinspanning kreeg ik bij het betreden van het manegeterrein het groepje te pakken. Een in oranje en zwart gestoken dame wilde kennelijk met mij nog even het avontuur aan in de vorm van een eindsprint. Uitdagend keek zij mij aan terwijl de eindstreep naderde. Even beleefde ik met haar een wilde steigerung (hardloopjargon), waarna wij precies tegelijk onder het finishvod doorsnelden. Met een enthousiaste high-five bevestigden wij deze remise. De strijd was gestreden, het leed was geleden. Dodelijk vermoeid liet ik mij een medaille omhangen, waarna ik mij met een paar bekertjes water langs de kant nestelde om mijn dappere opdrachtgever te verwelkomen.

Na iets meer dan een minuut vloog ook Arranraja het manegeterrein op. Luid moedigde ik hem aan, en met zijn laatste krachten hief hij zijn hand, met daarin zijn witte pet, bij wijze van begroeting. Vlak voor hem liep een donkerbruine paardenstaart: een prachtige vrouwelijke prooi voor in die laatste meters. Dat gaf hem nog nèt een extra beetje motivatie. Op het allerlaatste moment stoof hij nog langs en drukte hij zijn voorwiel vlak voor het hare over de finish. Ook voor hem zat het er op: een prestatie van groot formaat was geleverd.

Nadat Arranraja weer op adem was gekomen belde hij zijn vrouw op om te melden dat ie het ‘m ook dit keer geflikt had. Ikzelf scharrelde nog wat drank en voedsel bij elkaar, en gezamenlijk begaven wij ons weer richting finishlijn om de overgebleven vermoeide helden te supporteren in de laatste fase van hun lijdensweg. Groot applaus weerklonk toen een oudere man van ongeveer 80 over de eindstreep schreed. Altijd indrukwekkend, zo’n prestatie van iemand uit de Eregalerij van de Oude Glorie. Tegelijkertijd moesten wij echter denken aan de oude loopkrijger Anton, die hier vorig jaar al net zo luid werd verwelkomd. Maar ditmaal was hij er niet bij zo te zien. Van tevoren hadden wij hem niet gezien, en ook nu was hij onvindbaar, ondanks het feit dat wij bleven staan totdat de bezemfiets de laatste loper over de finish had geduwd. Daags na de Vechtloop vond ik op de leestafel bij Terre des Hommes in één van de kranten een overlijdensadvertentie, waarvan ik haast zeker wist dat het deze Anton betrof. Enige ruggenspraak met Arranraja, aangevuld met wat nader onderzoek, wees uit dat het inderdaad deze Anton was, die drie dagen voor de Vechtloop op 82-jarige leeftijd was overleden. Moge hij rusten in vrede.

Terugwandelend langs de oevers van de Vecht besloten wij om nog even linksaf het stadje in te slaan op zoek naar een acceptabele bak koffie om alle hardloopvermoeidheid van ons weg te spoelen. Al snel vonden wij een ijssalon met koffiemogelijkheden, en lieten ons een verse cappuccino inschenken. Deze zevende Succesvolle Samenloop had ditmaal maar deels zijn naam eer aangedaan. Succesvol was ie wel geweest, maar van een samenloop was dit keer weinig gebleken. Enfin, een volgende keer zou alles beter zijn, zo bedachten wij terwijl wij ons het bakkie pleuâh goed lieten smaken. Het voorseizoen was ten einde, de zomervakanties waren in aantocht, en na het reces zouden we wel weer zien waar onze hardloopwegen samen zouden komen.

Na het inmiddels traditioneel tranentrekkende traumatische afscheid op station Weesp peddelde Arranraja vrolijk terug naar Diemen. Tegelijkertijd zoefde ik onder de klanken van de fenomenale Franse muziekgroep Tryo (het zijn er overigens vier, maar dat terzijde) weer via Utrecht terug naar Gouda. Veilig bereikte ik mijn thuishaven en wierp ik mij in de armen van mijn strenge doch meedogenloze heerseres. Just kidding of course. Al bijna vijf jaar leven Elfriede en ik gelukkig, liefdevol en vredig ons leven samen. Het is het geluk met de grote G, de liefde met de grote L en de vrede met de grote V. Amen.