Alle blogposts van hardlopers op Looptijden.nl

Hieronder staan de laatste weblog posts van gebruikers van Looptijden.nl over hardlopen en gerelateerde onderwerpen.

Een vermomde zegen? (3 reacties)

Gepost door Arranraja op vrijdag 17 mei 2019 19:28

Zoals altijd ook te bewonderen op https://arranraja.wordpress.com/2019/05/17/een-vermomde-zegen/

In het overzicht van 2018 was ik gedwongen te melden in dat jaar veel gelegenheden tot hardlopen te hebben gemist vanwege lichamelijke ‘malaise’. Ook sprak ik aan het einde van dat verhaal de vurige wens uit in 2019 geen enkele training of trimloop te hoeven overslaan. Inmiddels bijna 4,5 maanden verder, kan ik concluderen dat dit idee, deze utopische verwachting gevoeglijk de prullenbak in kan. Want ik heb de spreekwoordelijke lappenmand alweer meerdere keren van binnen bekeken. Sterker nog, dit verhaal tik ik met mijn achterwerk stevig in die voddenkorf!

In de meest recente uitgave van het tijdschrift RunningNL, voorheen jarenlang met een veel mooiere naam ‘Losse Veter Magazine’ geheten, staan vier verhalen van lopers voor wie een blessure of een reeks van blessures een zegen is gebleken. Bij lezing werd mij niet in alle gevallen duidelijk wat dat heil precies inhield. En gevoelsmatig kon ik mij hier dan ook niet bij aansluiten. Integendeel, ik heb weliswaar geaccepteerd momenteel even volledig tot stilstand gekomen te zijn, maar ik voel daar als vanzelfsprekend geen vreugde over.

De maanden januari en februari gingen nog volgens plan. De geprogrammeerde Twiskemolenlopen van begin februari en aanvang maart heb ik daadwerkelijk verhapstukt. De laatste samen met hardloopvriend Peter. Trouwe lezers zullen zich misschien herinneren dat ik daar uitgebreid verslag van deed. In de tweede week van maart, eigenlijk direct aansluitend op het kletsnatte avontuur in het Twiske, moest ik al gaan inleveren en trainingen overslaan. Omdat ik mij niet helemaal fris voelde. Het gevolg was dat ik de Spiegelplasloop halverwege de maand maar liet voor wat deze was. De eerste echte tegenvaller.

Eind maart ging de Zandvoort Circuitrun gelukkig wel naar wens, maar daarna werd het toch snel op het randje balanceren. Over de Nescioloop medio april heb ik verhaald dat het een moeizame aangelegenheid was geworden. Ik had in de week eraan voorafgaand wat lichamelijke ongemakken, waarvan ik weliswaar tijdig herstelde. Maar helemaal kiplekker en in topvorm voelde ik mij die 14e april beslist niet. Het weekeinde daarop hielp ik mijn jongste dochter op vrijdag met voorbereidingen en een dag later met daadwerkelijk zware spullen trappen af- en weer op sjouwen. Weer een dag erna liep ik 16,1 km en dat ging heel redelijk. Wel had ik ergens die dag, ik weet niet meer of het voor of na het trainen was, een lichtgevoelige plek op mijn rug aan de rechterkant. Gezien de lichamelijke inspanningen, die ik niet meer gewend ben, verbaasde mij dat niet. Verder wees niets nog op het naderende onheil. Omdat er in dat paasweekeinde een zeer acceptabele buitentemperatuur te genieten viel, had ik mijn bovenlichaam voor het eerst in dit kalenderjaar gekleed in slechts twee dunne renshirts, waarvan een met lange mouwen.

Zoals gebruikelijk ging ik ‘s woensdags opnieuw de deur uit om een aantal kilometers weg te tikken. Wederom droeg ik twee dunne shirts, omdat er weer een lekker zonnetje scheen en de temperatuur alleszins redelijk scheen te zijn. Bij het inwandelen leek alles nog kits, evenals tijdens de traditionele rekoefeningen. Zodra ik echter aanzette tot iets dat bij mij doorgaat voor rennen, voelde de zondag ervoor al korte tijd opgemerkte plek ineens onprettig aan. Ik nam daar echter geen aanstoot aan en liep gewoon de geplande afstand van 12 kilometers. Waarbij het in het begin toch wel wat frisjes aanvoelde. Tijdens het rennen was de lichte pijn niet weg maar werd in mijn beleving ook niet erger. Na afloop en verder die dag, met name bij activiteiten als voorover bukken en uitstrekken, gingen er behoorlijke pijnscheuten door mijn rug. Ook een flink warme douche bracht daar geen verandering in. ‘s Nachts bij het liggen in bed, waarbij er uiteraard meer gewicht op de rug komt, had ik er best last van. Dat hield mij gedeeltelijk uit de slaap.

Op zondag zou ik aantreden bij de Roze loop, waarvoor ik mij in het begin van de week reeds had ingeschreven. Die deelname kwam nu direct aan een zijden draadje te hangen. De nachten eraan voorafgaand slikte ik voor het slapen gaan telkens twee paracetamoltabletten teneinde niet langer door de kwetsuur van mijn broodnodige nachtrust beroofd te worden. Op zondagochtend keek ik eerst op de televisie naar de live-uitzending van de Londense marathon. Daar zag ik Eliud Kipchoge zoals gebruikelijk keihard gaan en Sir Mo Farah moeite hebben en er niet in slagen dat hoge tempo te volgen. Toch scoorde hij nog een fantastische 2:05 en een beetje. Inspiratie genoeg om zelf ook een aansprekende prestatie neer te zetten, zou je zeggen. Aan het begin van de middag (de Roze loop zou pas om 14 uur van start gaan) deed ik een kleine test die niet positief genoeg uitviel. Ik moest besluiten voor het eerst ooit bij een al aangegane hardloopverplichting verstek te laten gaan. Een verstandig besluit gezien het feit dat wij de volgende dag naar Texel gingen afreizen voor een korte, midweekse vakantie. Maar ik was vanzelfsprekend verre van enthousiast over het moeten verzaken! En de reeds betaalde 7,50 eurootjes waren daarbij ‘le moindre de mes soucis’. In goed en begrijpelijk Nederlands: daar zat ik het minste over in.

De prettige week met koud weer op het grootste Waddeneiland ging snel voorbij en de pijn in de rugregionen bleef. Zij het met per dagdeel wisselende gradatie. Thuisgekomen ging ik het op zaterdag of zondag, inclusief de gebruikelijke inwandel- en stretchsessie, maar weer eens proberen. Met hetzelfde resultaat als zes of zeven dagen eerder, de rug voelde niet fijn aan zodra ik ging rennen. Kortom, ik had hier niet te doen met een te verwaarlozen pijntje, nee dit is een serieuze hardloopverhinderende aangelegenheid. Inmiddels heb ik zes keer rennen moeten overslaan, waarvan slechts één geplande duurloop ten tijde van het verblijf op Texel. Het gaat nu langzamerhand wat beter. Dankzij rust / stilstand, regelmatige plaatselijke verwarming van de rugzijde en dagelijkse, door mijzelf bij elkaar gescharrelde oefeningen is de pijn bijna verdwenen. Wel voelt mijn bovenlijf zo stijf aan alsof het in een keurslijf gesnoerd zit. Wanneer ik weer kan gaan rennen is mij nog niet duidelijk. Wel dat ik ruim de tijd moet nemen en hoe-dan-ook niets moet gaan forceren. Wat uiteraard behoorlijk lastig is als je zo graag erop uitgaat als ik.

Eén ‘probleem’ is met dit akkefietje in ieder geval vanzelf opgelost. En in dat opzicht is deze kwetsuur indirect misschien toch als een zegen in vermomming te betitelen. Bij het samenstellen van mijn trimloopagenda voor de eerste helft van dit jaar, kwam ik tot de onwelkome en teleurstellende ontdekking dat twee van mijn favoriete lopen op exact dezelfde dag zijn geprogrammeerd. Die zondag is nu aanstaande en de moeilijke keuze tussen de Wallenloop in Naarden en de Geinloop in-en-om Driemond, blijft mij op deze manier bespaard. Aan de andere kant wordt dit wel reeds de derde trimloop die in dit kalenderjaar aan mijn neus voorbij zal gaan. Een wetenschap waarvan ik op zijn zachtst gezegd niet erg vrolijk van wordt.

Zo lijkt het er verdacht veel op dat mij, na acht jaar enthousiast tot intensief hardlopen, nu de rekening gepresenteerd wordt voor het feit dat ik het trainen van de rompspieren steevast voor mij heb uitgeschoven. Ik was het altijd wel van plan, heb vele digitale documentjes met oefeningen op mijn harde schijf en bosjes linkjes naar webpagina’s die soortgelijke zaken bieden. Maar ik ben niet echt een liefhebber van het doen van dergelijke saaie, statische oefeningen. Zoals ik wel mijn hele leven graag aan sport gedaan heb, maar nooit enthousiast ben geweest over de gymnastieklessen op school. Ooit heb ik wel eens een jaar met een yogacursus meegedaan. Die kon mij slechts matig bekoren vanwege het overdekte en weinig dynamische karakter. Het kan trouwens ook zijn dat er sprake is van een samenloop van omstandigheden, dan wel een optelsom. Ik ben al een tijdje geen achttien meer, heb dus nooit aan krachttraining gedaan, wel ineens met de verhuisactiviteiten een forse lichamelijke inspanning gedaan en wellicht op het verkeerde moment mijn torso te weinig warm bekleed tijdens het lopen. Hoewel ik laatst nog gelezen heb in een hardloopblad dat de rugspieren tijdens het rennen weinig te doen hebben, is er volgens de door mij geraadpleegde huisarts-in-opleiding wel degelijk sprake van een zware belasting. Zeker bij een respectabel aantal kilometers. De kruik gaat net zo lang te water tot hij barst en ik vermoed dat dit hier aan de hand is geweest.

Nu heeft het er daarom alle schijn van dat er geen keuze meer is. Ik zal aan de bak moeten en het oefenen inpassen in mijn dagelijkse leven. De rugklachten bezweren en alle benodigde spiergroepen sterker en weerbaarder maken door middel van al die voor veel hardlopers bekende krachtoefeningen als ‘lunges’, ‘squats’ en noem ze maar op. Ik kan niet zeggen dat ik er naar uitkijk maar het is nu een kwestie van buigen of barsten, met andere woorden een force majeure. Ergo ik zal er, met beleid weliswaar, tegenaan gaan. En hopen dat ik zo spoedig mogelijk weer de paden op en de lanen in kan. En zeker op Tweede Pinksterdag als de Gaasperplasrun, inclusief opnieuw het rennen door de Gaasperdammertunnel in aanbouw, op het programma staat. Voor deze loop heb ik mij namelijk al geruime tijd geleden aangemeld. Ik heb nog drie weken en een beetje om fit en startklaar te geraken. Er is dus werk aan de winkel!

Over het Deerlijk Gemis van een Persoonlijke Pitspoes (3 reacties)

Gepost door Peter de Haan op zondag 12 mei 2019 21:49

Voorwoord: het stormachtige gebeuren in Reeuwijk had ontegenzeggelijk zijn tol geëist. De dagen na de monstertocht rondom de Surfplas stonden voor ondergetekende in het teken van het herstel. De fietstocht naar huis tegen de vliegende storm in was de spreekwoordelijke druppel geweest die de al even spreekwoordelijke emmer had doen overlopen. Steenkapot was ik. Maar misschien had ik ook wel een kleinigheidje onder de leden, wie zal het zeggen. Op diezelfde zaterdagavond, waarop doorgaans mijn lief en ik een tweetal films in het Goudse Filmhuis verhapstukken (bron: Arranraja) lag ik uitgewoond in mijn warme nestje, gevloerd door de inspanningen. En ook in de dagen daarna lag het energielevel beduidend onder Nieuw Gouds Peil. Op het Terre des Hommes hoofdkantoor in Den Haag vroeg men zich die maandag af wat ik daar in godsnaam te zoeken had. Dat overkomt mij niet vaak, naar huis gestuurd worden door mijn collega’s, en zelfs door mijn bloedeigen baas. Net alsof ze me niet motten daar. Niet dat ik naar huis ging overigens: wijd en zijd sta ik bekend om mijn koppigheid, noem het maar gerust onverantwoordelijkheid. Voor de geïnteresseerden: dit is een familietrekje door-de-eeuwen-heen.

Langzaam maar zeker knapte ik op – en dat was wel nodig ook. Twee weken later stond alweer een zware beproeving op het programma. Voor het eerst in mijn hardloopleventje had ik mij ingeschreven voor een immense uitdaging in en rondom Zandvoort. Het plaatselijke race-circuit, dat volgens snode plannen binnenkort weer plaats gaat bieden aan het Formule 1-circus, zou op 31 maart 2019 het start- en finishtoneel zijn van een sport die in een beduidend langzamer tempo wordt uitgevoerd. En ondergetekende zou naar Zandvoort afreizen om daar een halve marathon over circuit, strand en duin te gaan afwerken.

Zoals al beschreven in mijn vorige prietpraatje was de inschrijving voor – en deelname aan - Zandvoort een compensatie voor het leed dat mij was aangedaan door het niet doorgaan van de CPC. Bittere tranen had ik geweend, maar tussen de huilbuien door zinde ik op sportieve wraak. Deel één van deze revanche had ik inmiddels in Reeuwijk voltooid, en nu werd het tijd voor het laatste gedeelte van dit Tweeluik der Vergelding. Heel toepasselijk zou dit plaatsvinden in een plaats die aan zee was gelegen, zij het dat dit wel ettelijke tientallen kilometers ten noorden van Scheveningen/Den Haag was. Voor de topobeten: vanaf Scheveningen kom je, als je een duurloopje langs de kust in noordelijke richting maakt, eerst bij de Wassenaarse slag. Vervolgens draaf je naar Katwijk en naar het vijf kilometer verderop gelegen Noordwijk. Na deze iets mondainere badplaats komt er nog een lang stuk, waarbij je eerst de provinciegrens passeert en uiteindelijk in Zandvoort belandt. Van mij mag je daar stoppen en een strandpaviljoentje opzoeken: inmiddels staat je teller op zo’n 35 en heb je er zowat een hele marathon op zitten.

Zandvoort zelf is bepaald niet mondain: het doet qua lelijkheid niet onder voor de gehele Belgische kust. Daar is het al helemaal een rotzooitje, maar ook in Zandvoort heeft men in de loop der jaren talloze oerlelijke bouwwerken neergezet. Ten noorden van al dat fraais, richting Bloemendaal aan Zee en verderop de Hoogovens, ligt dan het veel geprezen en verguisde racecircuit. Geprezen vooral door de rijke Formule 1-historie, verguisd vooral door de enorme geluids- en (vroeger) stankoverlast. Dat laatste was zeker het geval als een straffe noordenwind de uitstoot van al die racemonsters richting het dorp blies. Dat sloeg dan neer op alle balkonnetjes en maakte het leven daar slecht draaglijk.

Maar nu gingen wij daar hardlopen – en onze uitstoot zou hopelijk niet al te veel ergernis opwekken bij de inheemse bevolking. Ik verheugde mij bijzonder op de uitdagingen die mij daar stonden te wachten: de driekwart ronde over het moeilijk te belopen circuit, de 8 kilometer over het strand dat vanwege het hoogwater slecht begaanbaar zou zijn, en de 9 kilometer up-and-down terug door de duinen en de tocht door het schilderachtige Zandvoort. Dat laatste klinkt wat paradoxaal, maar ook lelijke dingen zijn goed te beschilderen. Kijk maar naar de vele portretjes die mijn lief al van mij gemaakt heeft. Just kidding.

Hoe het ook zou aflopen daar in Zandvoort, het weekeinde kon sowieso al niet meer stuk. Vrijdag startte ik een heerlijke vrije dag met een GR-ochtendtraining op de baan. De Goudse Runners bestonden die dag precies 40 jaar – en dat moest uiteraard gevierd worden. Na een heel druk bevolkte estafettetraining werd het een heel gezellig samenzijn met veel drank en spijzen. Ondergetekende liet zich hierbij niet onbetuigd, en volgevreten meldde ik mij aan het eind van de ochtend bij Huize de Haan. In ons stulpje bereidden wij ons voor op het tweede gedeelte van de dag: een tripje naar Amsterdam voor een concert van gitaarvirtuoos Estas Tonne in het prachtige Carré. Geweldig was het. Ook de zaterdag was ruimschoots de moeite waard: met vrouw-, dochter- en schoonzoonlief bezocht ik het eerder gememoreerde Filmhuis voor twee prachtige vertoningen. Wij genoten met volle teugen. En we zagen dat het goed was.

Maar op de Zondag in Zandvoort moest er dan toch stevig gebikkeld gaan worden. En dat terwijl wij die nacht gestraft waren door een uur minder slaapgelegenheid, vanwege het overgaan van winter- in zomertijd. Opmerkelijk genoeg bleef ik in de boemel vanaf Gouda verstoken van het inmiddels gebruikelijk geworden zondagse kinderoproer. Alhoewel: het kan nog veel erger. Schuin tegenover mij, aan de andere kant van het gangpad, zat een (veel) ouder stel gezapig te herkauwen. Omdat zij met elkaar waarschijnlijk al lang uitgespeeld waren, schepten ze er nu genoegen in om hun gebitjes voortdurend in en uit hun mond te bewegen. Uitstoten en weer naar binnen zuigen. Ik ben echter nog veel te jong om het genoegen daarvan in te zien, niet in ethisch en ook niet in esthetisch opzicht. Dus gingen mijn oogjes dicht en de oortjes in, en onder de klanken van de Franse groep Tryo mediteerde ik over grote hardloopsuccessen terwijl het treintje ijverig voort deed.

Ter hoogte van Abcoude kwam via de NS-app tot mijn schrik opeens het bericht door dat er voorlopig geen treinen zouden rijden tussen Amsterdam en Haarlem. Dit vanwege ‘een aanrijding met een persoon’. Vreselijk natuurlijk – ik dacht er maar liever niet aan – maar nu moest er wel rap een alternatief plan uit de ladenkast getrokken worden. Al snel vogelde ik uit dat ik op Amsterdam Bijlmer ArenA een snelbus kon nemen via Amstelveen en Schiphol naar Haarlem. Dat zou mij zelfs eerder in Haarlem en Zandvoort brengen dan oorspronkelijk gepland. Aangekomen op het station, dat zijn naam deels dankt aan een naastgelegen prachtige voetbaltempel, groette ik het seniorenstel beleefd. Als antwoord kreeg ik – heel synchroon – hun twee gebitjes getoond. Onthutst verliet ik de trein en spoedde mij naar het plaatselijke busplatform. Intussen lichtte ik GR-loopmaat Nico in: hij zou iets later naar Zandvoort komen dan ik, maar ik wilde niet dat hij ‘Stuck in Amsterdam’ zou raken.

De Interliner bracht mij binnen een oogwenk naar het pittoreske Haarlem. Deze stad – en de omgeving ervan - herbergt voor mij veel jeugdherinneringen. Mijn grootouders van vader’s kant woonden in het aanpalende Overveen. En van daaruit bezocht ik de stad uiteraard dikwijls, evenals het verderop aan de kust gelegen Zandvoort. Ook de uitgestrekte Amsterdamse Waterleidingduinen kende ik op mijn duimpje. Mijn Opa oefende daar altijd voor de Apeldoornse en Nijmeegse Vierdaagse Marschen, en als kind vergezelde ik hem graag op deze looptrainingen. U ziet: ik heb het allemaal niet van een vreemde. Eén van de voor ons kinderen fijnste pleisterplaatsen in Overveen was de uitspanning Kraantje Lek, met zijn markante Holle Boom. Als kind speelde ik daar in de duinen zo vaak met mijn neven en nichten, en zetten wij speurtochten uit die we dan vervolgens zelf liepen. Na afloop was er dan in de uitspanning steevast een glaasje ranja voor de vermoeide jonge helden.

Kraantje Lek ligt eigenlijk in de achtertuin van het Zandvoortse circuit. Vervuld van herinneringen legde ik het laatste stukje tussen Haarlem en Zandvoort af in een boemeltje dat uiteraard vol zat met hardloopatleten en -atletes. Gelukkig had ik een zitplaats bemachtigd – voor een man op leeftijd zoals ik mag dat natuurlijk ook wel. Voorlopig hoeft nog niemand in een trein, tram of bus voor mij op te staan – maar ooit zal toch het moment komen dat ik met een wat overdreven gekwelde blik de jongelui ga verleiden om hun plaats aan mij af te staan. Het opzichtig tonen van een wandelstok zal daarbij vast ook helpen, dus heb ik daarvoor alvast maar een marktonderzoek gestart. En mocht dat toch niet volstaan: dan zal ik een diepte-investering in een hulphond moeten doen ben ik bang.

Het was koud in Zandvoort, en er was een flinke wandeling af te leggen van het plaatselijke stationnetje naar het startgebied op het plaatselijke circuit. Het was weliswaar zonnig, maar er stond een gemene kille wind die mij tot op het bot verkleumde. Nico zou, zo berichtte hij mij tot mijn geruststelling, gewoon weer via Amsterdam naar Haarlem kunnen komen. Ik was door alle gebeurtenissen uiteraard extra vroeg aanwezig op het circuit. Na door een tunneltje onder de racetrack te hebben gelopen arriveerde ik op het evenemententerrein op Paddock 2 zoals dat in racekringen zo mooi heet. Ik had alle tijd om daar eens goed om mij heen te kijken. Vanaf Paddock 2 was het circuit goed te zien, en wat mij in eerste instantie opviel was dat wij arme lopers behoorlijk wat hoogteverschillen te verduren zouden krijgen. En wat nog erger was: ook in de breedterichting lag de weg er niet horizontaal bij, vooral niet in de vele bochten. Dit zou een lastig onderdeel van mijn halve marathon gaan worden, en dat was nog maar aan het begin. Ook monsterde ik het finishgedeelte: we zouden precies daar finishen waar alle race-coureurs ook hun voorwielen over de streep drukken, vlak voor het midden van de indrukwekkende grote tribune. Om de tijd te doden (bron: Wim) trakteerde ik mijzelf op een kop sterke koffie met een gevulde koek, die ik in afwachting van mijn Goudse hardloopgezel als alternatieve doping inbracht.

Een klein uurtje voor de start arriveerde Nico gelukkig ook. Zijn heenreis had verder geen obstakels gekend. Na een bezoekje aan de grote evenemententent togen wij gezamenlijk naar het eveneens op Paddock 2 gelegen omkleedgebouw. Dit was een onderhoudshal voor de racewagens, en wij snoven de olie-dampen van vele decennia op terwijl wij de korte tights omgordden. Half stoned verlieten wij het milieuonvriendelijke gebouw op zoek naar Dixiland voor een laatste sanitaire pitstop. Bevrijd en verlicht namen wij vervolgens plaats aan één van de smaakvolle tafeltjes, niet ver van de kledingafgifte. Daar lieten wij ons gewillig fotograferen door een met zorg uitgekozen volontair, een viertal foto’s voor onze respectievelijke levenspartners die uiteraard bezorgd onze tekenen van leven aan het afwachten waren. Terwijl Whatsapp verwoed bezig was om de foto’s zo snel mogelijk in Gouda te krijgen, leverden wij onze tassen in bij de vriendelijke vrijwilligers van de kledinginname.

Na een korte wandeling naar de pitsboxen begonnen Nico en ik aan onze opwarmronden. We hoefden gelukkig niet onze regenbanden om te leggen: het zou gedurende de hele race droog en zelfs zonnig blijven. Mijn kompaan deed nog wat staande ofeningen, terwijl ik mij overgaf aan een serie lichte versnellingen. Warmgeworden liepen wij uiteindelijk naar de pitsbox van waaruit onze start zou plaatsgrijpen. Wandelend door die pitsbox kwamen we nu de pitsstraat op, de plek waar normaliter banden worden vervangen en waar brandstof wordt bijgetankt. En dat alles in recordsnelheid. Nu liep daar een hardloperspeloton rond in gespannen afwachting van de start van het Zandvoortse Spektakel.

Wat mij buitengewoon tegenviel is dat er – in tegenstelling tot gebruikelijk – geen pitspoezen waren te bekennen. Voor diegenen die net onder hun steen vandaan zijn gekropen of uit Mars zijn overgevlogen: pitspoezen zijn mooie, jonge vrouwen die zich bij autoraces en motorraces ophouden bij de pits of het rennerskwartier. Vaak zijn ze woest aantrekkelijk, en wulps en uitdagend gekleed. Hun taak is het om de coureur zo veel mogelijk – maar niet al te opzichtig – te behagen in de spannende momenten vlak voor de start. Vaak hebben zij een paraplu of parasol in de hand om de renner zoveel mogelijk te beschermen tegen regen resp. zonneschijn. Het leek mij een goed gebruik om ook op deze hardloopdag te hanteren, immers: mijn allengs kalende bolletje vroeg om een liefdevol opgestoken parasolletje. Het mocht echter niet zo zijn: in de hele pits was geen poes te bekennen. Treurend om het gemis wijdden wij ons dan maar quasi-enthousiast aan de hilarische opwarmtaferelen die – helaas – wèl gebruikelijk zijn bij dit soort massale evenementen.

Met een mooie fuikstart ving voor Nico, mij en vele anderen het 21.1km hardloopavontuur van Zandvoort aan. Meteen kwam de eerste uitdaging: de roemruchte Tarzanbocht. Daar, in die spektaculaire 180-gradendraai, was het zaak om de ideale lijn te volgen en niet óf vooruit te schieten de grindbak in, óf in de binnenbocht te belanden op de kerbstones waarover het buitengewoon moeilijk lopen was. Meteen kreeg ik het veel te warm – een fenomeen dat zich bij mij de laatste jaren steeds prominenter voordoet. Na de Tarzanbocht komt er een knik in de vorm van de Gerlachbocht. Vervolgens beklimt de meute de Hunserug – een behoorlijke klim die je dus al in de eerste kilometer voor de kiezen krijgt. Een voorbode van al het zwaars dat nog komen ging. Ik kon goed zien hoe Nico zich gestaag van mij verwijderde. Zelf had ik alweer een Brabants gezelschapje te pakken, net zoals tijdens de Twiskemolenloop aan het begin van de maand. Met deze mensen, zo nam ik mij voor, zou ik het stuk over het circuit afwerken, gevolgd door nog een kilometer richting het strand.

Vlak voor het ‘aansnijden van het Scheivlak’ (de verstokte kenners horen het in hun herinnering Frans Henrichs, Hans Brian, Hans Kiviet en Jan Stekelenburg nog steeds zeggen) stak het 21.1km-peloton het circuit een enorm stuk af, en kwam het terecht op het gedeelte tussen de Renaultbocht en de AudiS-bocht. Het afsnijden van het Scheivlak dus. Mijn motor was inmiddels aan het overkoken, zo warm had ik het. Hopelijk zou de situatie aan de kust anders zijn. Wel was het jammer dat we niet het hele circuit mochten doen, enfin volgend jaar dan maar inschrijven voor de 12km, waar dat plezier wèl wordt verschaft.

Na nog enige moeizame en zware bochten, waaronder de Arie Luyendijkbocht (tweevoudig winnaar Indy 500), verliet het al behoorlijk aangeslagen peloton het circuit op weg naar de Zandvoortse boulevard en (erger) het strand voor de monsterlijke tocht door het mulle zand. Mijn Brabantse vrienden-for-the-moment had ik inmiddels achter mij gelaten en ik bereidde mij mentaal voor op de verschrikkingen die mij te wachten stonden. We zaten inmiddels op kilometer 4, en pas op kilometer 12 zou het zandhappen ten einde komen. En alsof dat allemaal nog niet voldoende was zouden er dan nog 9 helse kilometers door duin en dorp richting de finishvlag volgen.

De eerste kilometers op het strand vielen nog wel mee. Er stond wel wind, maar die speelde nauwelijks een rol van betekenis. Ik richtte mijn blik op de horizon (in de verte was Noordwijk zichtbaar) en koos een niet al te hard maar gestaag tempo. Maar daar waar na plusminus 2.5 kilometer de 12km-lopers alweer de boulevard op zouden gaan (hun start was een uur later) begon voor ons pas echt de verschrikking. Het strand werd meer en meer onbegaanbaar. Het zand was er mul en diep, en dat van het duin tot aan de waterlijn. Nou ja, waterlijn: het was in geen geval een rechte lijn, en dat maakte het er al helemaal godsonmogelijk op. Met de moed der wanhoop baande ik mij een weg door deze zandbak, soms met één of twee medelijders, maar dikwijls helemaal alleen. De hazen van 2.00 uur snelden voorbij: ik kon ze niet volgen. De hazen van 2.05 uur snelden voorbij: ik kon ze niet volgen. Vertwijfeling maakte zich van mij meester. Er was over de volle breedte van het strand geen enkel spoor te vinden dat maar enigszins soelaas bood. De Sauconietjes liepen vol met zand en water, en hun eigenaar verstookte een surplus aan energie om maar vooruit te blijven gaan. Hart en longen schreeuwden om te stoppen, de geest was echter onvermurwbaar. Er moest doorgelopen worden, anders zou ik reddeloos verloren zijn. En ook mentaal zou dat een enorme knal hebben geven die nog heel lang zou hebben doorgewerkt. En dus werd het onmenselijk lijden voortgezet. Voor mij zag ik tot zover mijn oog reikte een eindeloos lange stroom van lopers – van een duinopgang was nog geen spoor te bekennen.

Tot twee maal toe werd het peloton strandopwaarts gedreven door nog minder begaanbaar los zand. De eerste keer was dat voor de drankpost. Hier laafde ik mij overvloedig, om daarna met veel te weinig herwonnen kracht weer door te gaan met de moordende worsteling door het zachte zand. De tweede keer was het om over de 10km-mat geloodst te worden. Men wilde zeker weten dat er geen hardloopsmokkelaars een eerdere duinopgang zouden nemen, vandaar deze wrede actie. Gelaten liet ik het mij ondergaan. Daarna was er verdorie nóg twee kilometer te lijden over dat vermaledijde pokkenstrand.

Als een kudde koeien zonder oormerk banjerden wij voort door het mulle zand. Meer dood dan levend bereikte ik uiteindelijk de duinopgang, iets ten noorden van de Langevelderslag. Twaalf helse kilometers waren afgelegd, nog negen te gaan. Het hart pompte woest en de longen verrichten overwerk. De verschrikking was echter nog niet ten einde: de duinopgang was buitengewoon lang en steil, en dat door zacht zand zonder enige stevige ondergrond. Tot je knieën zakte je weg. Met de handen op de benen ploeterend ramde een ieder het hoge duin op, om vervolgens door al even mul en diep zand af te dalen richting het verlossende fietspad. Op deze Blanke Top der Duinen moet mijn hartslagmeter al helemaal uit zijn kastje zijn geslagen, zo zwaar was het.

Na aankomst op het fietspad tussen Noordwijk en Zandvoort nam ik heel even de tijd om een assessment te maken van mijn deplorable situatie. Conclusie: het was deplorabel. Schoorvoetend koos ik een laag tempo waarmee ik mij door 9 gruwelijke kilometers naar het circuit moest gaan worstelen. De tank was eigenlijk al leeg, toch moest ik in de survivalstand want opgeven zou ik nooit. Never nooit! En al zeker niet hier in dit Amsterdams Waterleidinggebied, het gebied waar Opa en ik ooit vele kilometers wandelend aflegden. Dat zou hem en mij geen eer doen. Mijn tempo was overigens al aardig richting wandeltempo gezakt, maar ik zette mijn hardlooppas onverschrokken voort. De schandalig lelijke hoogbouw van Zandvoort was in de verte te bekennen, en kwam langzaam maar onzeker nabij. Heel af en toe vond ik aansluiting in een groepje, maar geen van deze groepjes ging mij langzaam of snel genoeg. Zo werd het een behoorlijk eenzaam en lijdzaam avontuur daar in de duinen. In een duingebied gaat dat ook nog eens op en af, geen moment kon ik lekker vlak lopen. Door al dit gedonderjaag werd er nog eens extra ingeteerd op mijn vet- en eiwitreserves.

Volkomen uitgeteerd bereikte ik na 5 kilometer de zuidelijke contreien van Zandvoort. Daar, op het 17km-punt kwamen de lopers van de 12km en die van de halve marathon tezamen. Er was een zeer kleine theoretische mogelijkheid dat ik daar mijn grote hardloopvriend Arranraja zou treffen. Mijn loop- en blogmaat was immers druk bezig zijn eigen race over 12 kilometer te verhapstukken, en hij had vooraf in al zijn ijver uitgerekend dat het niet denkbeeldig was dat we elkaar daar zouden tegenkomen. Het zou mijn redding zijn geweest: onder zijn vleugels had ik die laatste 4 monsterlijke kilometers door het dorp nog in een redelijk tempo kunnen doorkomen. Eindelijk had hij voor mij de haas kunnen zijn en had hij ook eens kunnen voelen wat dat is. Maar helaas: ik had inmiddels al zoveel tijd verloren op het door hem bedachte scenario dat wij elkaar volledig misliepen. Mijn geest was nu finaal uit mijn fles.

Mistroostig en totaal uitgewoond vervolgde ik mijn lijdensweg richting de Grote Verlossing. Enige tijd kon ik aanklampen bij een collega halve marathonner, voor wie het voorafgaande ook iets teveel was geweest. Maar vlakbij het stationnetje van Zandvoort kon ik niet anders dan ook deze moegestreden krijger laten gaan. Op weg naar het circuit moest ik mijzelf nog enkele stop-and-go penalties toestaan, zo uitgepierd was ik. Gelukkig bereikten de eerste olie-, kerosine- en benzinedampen van de racetrack mijn fijngevoelig neusje en wist ik dat aan dit lijden en strijden een eind zou gaan komen. Wat ook hielp is dat er in het dorp vele supporters waren die ons hartstochtelijk aanmoedigden - alsof ze ècht wisten hoe zwaar het was geweest. En ook hier waren weer veel partytenten opgezet waarin door de aanwezigen onwaarschijnlijk veel alcohol werd verstouwd. Een nieuwe traditie bij massale hardloopwedstrijden is hiermee inmiddels ontstaan, maar of wij daar blij mee moeten zijn vraag ik mij af.

Op mijn tandvlees bereikte ik het circuit, waarop ik mij door het uitzinnige publiek over de eindstreep liet dragen. Met wijdse gebaren werd de zwart-wit geblokte finishvlag gezwaaid om mij uit mijn lijden te verlossen. Mijn eindtijd noem ik hier niet in dit kletsverhaaltje - mijn gevoel voor eigenwaarde staat dat niet toe. Tip van de sluier: nog nooit had ik een halve marathon zo langzaam gelopen. Dit was er één die enorm bevochten was, en gezien mijn huidige vorm kon ik toch trots zijn op wat ik had geflikt. Door een bewonderend kijkende vrijwilligster kreeg ik een zeer fraaie medaille aangereikt, en even later werd mij ook nog een flesje sportdrank in de vermoeide handen gestopt. Zonder het door te hebben werden wij om de pitsboxen heengeloodst richting het evenemententerrein op Paddock 2. Daar ontmoette ik Nico weer, die het ook zwaar had gehad maar een alleszins acceptabele tijd had gelopen.

Gezamenlijk togen wij naar de omkleedruimte waar een ieder, stil en aangedaan door het zojuist doorstane hardloopleed, bezig was de natte plunje te vervangen door droge. Snel kleedden wij ons om, al was het alleen maar om niet weer bevangen te raken door de oliedampen. Geroerd namen wij afscheid van het circuit dat ons vandaag zoveel strijd en ontberingen had bezorgd, en banjerden in gezwinde pas richting het Zandvoortse station. Daar ging een veelheid aan treinen het hele peloton weer naar Haarlem en verder brengen. Het was een mooie, uitputtende en toch weer inspirerende dag geweest hier in het Zandvoortse. Helaas was door het ontbreken van een Persoonlijke Pitspoes mijn kale bolletje wel ernstig verbrand. Daar moeten ze toch wat aan doen, willen ze mij ooit nog verleiden tot het lopen van deze Zandvoort Circuit Run.

Het gemis van de CPC was door deze kuitenbijter, èn die van Reeuwijk, in ruime mate gecompenseerd. Qua beleving èn qua strijd, kortom een genoegdoening op alle fronten. En het goede nieuws uit Den Haag was: er gaat some sort of compensation worden geboden voor het cancellen van de loop. Het zou erop kunnen uitdraaien dat voor alle ingeschreven deelnemers de startplaats voor de editie van 2020 verzekerd is. Ik zie er reikhalzend naar uit. Voorlopig echter gaan er door mij even geen halve marathons meer worden gelopen, dus (let op!) ook de geplande HM van Leiden niet. Ik ga nu pas op de plaats maken, en op een fatsoenlijke manier weer opbouwen naar betere tijden met betere eindtijden. Tijden behaald in wedstrijdlopen waarover uiteraard weer groots en meeslepend verslag zal worden gedaan - dat blijft. Watch this space!

Foto's bij deze blogpost

Screenshot_2019-05-13-13-53-22.png

GAAN OP DIE BAAN! (3 reacties)

Gepost door Jaco Rip op zaterdag 11 mei 2019 22:56

Het is alweer een aardig tijdje geleden dat ik in verhaalvorm iets van me heb laten horen op dit platform. Maar nu heb ik er weer zin in. Normaal gesproken doe ik per blog verslag van één wedstrijd, maar de laatste keer dat ik iets schreef brak ik al met die traditie door over mijn ervaringen op de 5k in Alphen a/d Rijn en Bergen op Zoom te vertellen. Nu ga ik bijna hetzelfde doen, met als verschil dat de afgelegde afstand nu nóg korter was. Hoe hier dan in hemelsnaam een leuk verhaal over te schrijven valt? Ik zou zeggen, lees gerust door……..

Voor de mensen met een niet zo goed geheugen, en dat zijn er nog altijd een paar, ik had in mijn vorige verhaal al aangegeven dat ik op een nieuwe manier ging trainen. Na de aanschaf van het beroemde boek van Klaas Lok, Het Duurloopmisverstand, ben ik fanatiek gaan trainen volgens de souplessemethode. In het begin merkte ik al snel dat mijn niveau flink omhoog ging, maar aangezien ik in de winter heel vaak op mijn best ben wist ik nog niet zeker of mijn stijgende vorm te danken was aan de trainingsmethode of dat ik gewoon geen last had van het weer. Na een paar maanden kwam er echter wel duidelijkheid, het lag aan de nieuwe manier van trainen. Op een lastig parcours In Halsteren liep ik een 5k in een niveau dat ik al anderhalf jaar lang niet meer had benaderd. Slechts 10 seconden boven mijn PR, dat nog steeds op 19’23 staat, maar mij dus wel het vertrouwen gaf dat de ingeslagen weg de juiste was. Om deze vorm vooral te blijven testen had ik mij vervolgens ingeschreven voor iets nieuws (voor mij), een baanwedstrijd over 3000 meter in Oud-Beijerland. Op 18 april zou ik daar 7,5 rondje op de baan gaan lopen bij de plaatselijke atletiekvereniging. Aangezien er een indeling moest worden gemaakt qua niveau (er deden ruim 170 atleten en atletes mee in 7 verschillende series!), werd mij verzocht om een beoogde tijd in te vullen. Ik besloot, aangezien het mijn allereerste keer zou zijn, om een relatief voorzichtige eindtijd van 11’30 in te vullen. Niet te langzaam, zeker niet, maar eventueel zou het misschien wel wat harder kunnen als alles mee zou zitten.
Op 18 april was het dan zover, ik zou ’s avonds met mijn trainer/loopmaatje Jack Govers mijn opwachting maken bij AV Spirit. Aangezien de laatste maanden mijn niveau net wat hoger zat dan dat van Jack, verwachtte hij rond de 11’45 te lopen. Na een korte reis waren we ruim op tijd aangekomen. We haalden ons startbewijs en gingen vervolgens, in het gezelschap van een tweetal bekende vrouwelijke atleten uit de regio, op ons gemakje warmlopen. Al snel bleek dat ik met de verwachtingen het hoogst zat. De twee dames zouden in serie 3 aantreden, Jack en ik in serie 4, precies halverwege het programma. Serie 1 was de langzaamste, serie 7 de snelste met alle kleppers uit de regio die 3k binnen 9 minuten af kunnen raffelen! Het betekende wel voor ons dat we erg laat van start zouden gaan, zo rond een uur of 10 ’s avonds! Het aftellen kon ons niet snel genoeg gaan…...

Daar gingen we zo tegen 10 uur, richting de start. Er stonden al behoorlijk veel lopers en loopsters klaar, waarna we moesten reageren als onze naam werd geroepen. Het leek wel alsof we weer terug op school waren! Ik sprak ondertussen met nog wat mensen en hoorde hier en daar toch akelig snelle tijden worden gefluisterd. Toen we dan ook van start gingen was ik bewust een beetje achterin gaan staan, ik wilde niemand voor de voeten lopen en zelf geen enkel risico lopen op struikelpartijen. Na 100 meter schrok ik toch wel van wat ik zag, ik liep helemaal achteraan! Ging ik nou zo langzaam of ging de rest zo achterlijk hard? Het antwoord op die vraag kreeg ik gelukkig al 100 meter verder, toen ik zag dat na 200 meter in 45 seconden doorkwam. De rest ging dus achterlijk hard! Ik besloot vertrouwen te houden in mijn eigen gevoel van tempo en ontspanning en gewoon strak door te lopen. De race ging nu pas echt beginnen…..

Daar liep ik dan in mijn allereerste baanwedstrijd. Ik merkte vrij snel dat ik weer mensen begon te achterhalen en ze vervolgens ook makkelijk voorbij stak. Onder hen mijn maatje Jack, die ik na 600 meter al achter mij wist. Ik voelde mij erg sterk en bleef constant een hoog tempo aanhouden, zodat ik binnen een mum van tijd de eerste kilometer erop had zitten in de prachtige tijd van 3’48! Ik liep nu even in een soort van niemandsland, met voor en achter me een marge van een meter of 20. Dat veranderde echter langzaam maar zeker met de situatie voor me. Ik liep steeds meer in op een trio jeugdige atleten, dat erg hard van start was gegaan. Bij de doorkomst op 1400 meter was de aansluiting een feit en liep ik met een hoog tempo, maar uiterst gecontroleerd, het groepje rustig voorbij. Enkele ouders langs de kant schreeuwden nog naar hun kroost dat ze moesten proberen aan te pikken bij mij, “want dan ben je verzekerd van een goede eindtijd!” Ik wist echter dat dit ijdele hoop was, want ik had aan hun ademhaling al gehoord dat ze niet bij mijn hoge tempo van 16 per uur (!) zouden kunnen blijven zonder zwaar in het rood te gaan. Na 2k zag ik een fantastische doorkomsttijd van 7’34, wat betekende dat km 2 in 3’46 was gegaan. Het begon nu allemaal wel wat lastiger aan te voelen, maar ik wist dat ik nog maar 2,5 ronde had af te leggen. Nog een kleine 4 minuten en ik zou er zijn!

Daar kwam de doorkomst op 2200 meter. Ik had in mijn racevoorbereiding ingeschat dat ik hier zou beginnen te verzuren en dat klopte aardig met wat ik voelde, maar ik was ook hierop voorbereid. Het ritme ging wat omhoog en ik concentreerde me op een paar lopers die ik nog voor me zag. Het gat werd steeds ietsje kleiner, onder luide aanmoedigingen van een paar bekenden langs de kant. Toen de bel voor de laatste ronde voor mij werd geluid riep Jacques, een kennis van Spado, dat een tijd van 11’15 er zeker inzat. De doorkomsttijd van 9’47 gaf mij vleugels. Ik verlengde mijn pas en stormde werkelijk mijn laatste ronde in. De ademhaling ging nu met horten en stoten, maar toch bleef het tempo monsterlijk hoog, rond de 20 per uur! Ik haalde een atleet in met nog ruim 200 meter te gaan, maar nog geen 10 meter verder had hij zelf de gaskraan opengedraaid en kwam hij langs mij heen alsof ik stilstond! Toch zonk de moed mij hierdoor niet in de schoenen, omdat ik zag dat ik heel rap inliep op een andere atleet. Deze arme kerel werd in de laatste 100 meter nog 2x ingehaald, waaronder dus door mijn persoontje. Ik kwam met een gevoel van euforie en ongeloof over de finish na 11 minuten en 4 seconden. 45 seconden later kwam Jack over de finish, net zo uitgewoond als ik. We gingen nog even uitlopen, douchen en snel richting huis na het bekijken van de laatste serie, want het was al 11 uur geweest en de volgende morgen moesten we alweer erg vroeg opstaan. Uiteindelijk kwam ik net na twaalven thuis, waar ik nog één keer mijn officiële uitslag teruglas; 10e in mijn serie in 11’04’62! Met een grote glimlach op mijn gezicht sliep ik in…….

De dagen en weken na de geslaagde onderneming in Oud-Beijerland voelde ik me behoorlijk goed. De trainingen gingen niet altijd als vanzelf, soms zelf met wat meer moeite dan ik zelf had voorgenomen, maar toch bleef het niveau in competitie hoog, gezien een 10k in Oud-Gastel die ik volbracht in regelrecht stormachtige omstandigheden met een tijd die nauwelijks 40 seconden boven mijn PR van 40’27 zat. Ik had me dan ook ingeschreven voor weer een baanwedstrijd, deze keer in Etten-Leur. Gezien mijn PR van 11’04 werd ik eerst ingedeeld in de allersnelste serie, maar tot mijn grote opluchting werd dat in de loop van week voor de wedstrijd nog veranderd. Om in één race te worden ingedeeld met toppers die rond de 9’30 zouden lopen, zag ik niet heel erg zitten. Verder gaf de indeling tot mijn grote vreugde aan dat kameraad Fred, loopkennis Hans en nog een paar bekenden uit de regio ook acte de présence zouden geven. Ik leefde vol enthousiasme naar vrijdagavond 11 mei toe…..

Het was zover, mijn weekend was begonnen en het werd hoog tijd om richting Etten-Leur te rijden. Na drie kwartier op de weg te hebben vertoefd parkeerde ik mijn bolide bij het plaatselijke sportpark en begaf ik me naar het terrein van Achilles, de plaatselijke atletiekvereniging. Al snel trof ik Fred, die mij aanwees waar ik mijn startnummer kon afhalen. Bij het wedstrijdsecretariaat ontspon zich nog een grappig gesprekje. Omdat ik geen lid ben van een vereniging, had ik mij via een mailtje naar de contactpersoon in moeten schrijven. Deze had mij onder de vereniging “Nederland” ingeschreven. De personen die mijn inschrijving en betaling afhandelden, vonden dan ook maar dat ik voor een Nederlands record moest gaan. Dit leek mij niet één brug, maar meerdere bruggen te ver (na enig zoekwerk kwam ik erachter dat het NR op 7’37’48 staat). Ik beloofde ze dat ik mijn uiterste best zou doen om mijn PR aan te scherpen en daar namen ze gelukkig ook genoegen mee. Na redelijk lang te hebben warmgelopen met Fred, Hans, Petra en Jos, werd het tijd om alle overtollige kleding uit te doen en richting de startstreep te gaan. Om kwart voor 9 zou onze serie van start gaan………

Daar stonden we dan, met zo’n 15 lopers en loopsters bij de startstreep. De eerste serie (die hier dus juist de snelste was!) zat er net op en wij namen onze posities in. 11 mannen en 4 vrouwen, klaar voor 3 kilometer gas geven. Ik wist wat me te doen stond en ging ontspannen van start. Het gehele veld ging weer als een haas van start, met uitzondering van kameraad Fred en ik. Nog in de eerste bocht maande ik Fred tot kalmte, want ik wist zeker dat de grote meerderheid het aanvangstempo niet vol zou kunnen houden. Na 200 meter kwamen Fred en ik redelijk achterin het veld alsnog door in 43 seconden, wat mijn gevoel bevestigde. De rest ging gewoon weer achterlijk hard van start en toen de eerste adrenaline uit hun lichaam was verdwenen begon mijn grote inhaalrace. Na 400 meter kwam ik door in 1’28, wat een tempo inhield van 16.5 km/u. Ik bleef maar lopers inhalen, tot ik na 900 meter op plek 4 kwam te liggen, een meter of 30 achter kennis Hans en met bekende Kees v.d. Riet in mijn rug, die hij de eerstvolgende 3 rondes niet meer zou verlaten. Na 1 km kwam ik door in 3’43 met een redelijk ontspannen ademhaling, maar het inhalen was nu wel gedaan. Zou ik de tweede kilometer, die meestal als moeilijkste wordt aangeduid, ook zo goed doorkomen?

Nu begon het moeilijkste mentale gedeelte van de race. Ik zag de top-2 op een kleine 60 meter als ik het rechte eind opging en Hans bleef stug doorlopen op zo’n 30 meter voor me. Ondertussen bleef Kees (zo voelde en hoorde ik via aanmoedigingen vanaf de zijlijn voor mijn metgezel) pal achter me lopen. Ik begon het lastiger te krijgen om het tempo vast te houden, maar keek met opzet niet naar achteren. Zo leken rondje 3, 4 en 5 best wel lang te duren, maar ondertussen bleef toch het tempo behoorlijk goed. Ik zag bij de doorkomst na 2k dat ik 7’31 onderweg was, zodat ik nog bovenop het schema van 16 per uur zat. Om echter een PR te lopen moest ik net als in Oud-Beijerland een behoorlijk snelle laatste 1000 meter lopen. Zou ik dat kunnen? Behoorlijk vermoeid ging ik de laatste 2 rondes in…..

Bij het ingaan van de voorlaatste ronde kwam er een gevoel van vastberadenheid over me. Ook al zou ik misschien niet meer mijn PR halen, toch zou ik mijn uiterste best doen om Kees te lossen en mijn 4e plaats met hand en tand te verdedigen. Met een behoorlijke krachtsinspanning wist ik een klein beetje te versnellen en ik hoorde al vrij snel dat het effect had, Kees kon niet meer mee! Ik ging diep, echt heel diep, maar ik hield vol. Daar kwam de bel voor de laatste ronde alweer, in wat voor tijd zou ik doorkomen? Met een schok zag ik 9’38 op de klok staan, dat was bijna 10 tellen sneller dan in Oud-Beijerland! Nog één rondje van 87 tellen, net zoals ik zojuist had gelopen, dan zou ik bovenop mijn PR zitten. Ik opende de gaskraan volledig in de voorlaatste bocht. Ik zou geen podiumplaats halen, maar dat maakte me niets uit, op naar dat PR! De ademhaling ging ook nu weer met horten en stoten, maar ik hield vol. Daar kwam het laatste rechte eind, waar ik zag dat kennis Hans in een prachtige eindsprint nog de tweede plaats bemachtigde. Ik spoorde mezelf aan om alles uit de kast te halen. Ik werd compleet euforisch toen ik de klok een tijd zag aangeven van onder de 11 minuten, ik ging het redden! Ik zou een grens gaan doorbreken die ik tot een paar maanden geleden voor onmogelijk zou hebben geacht. Ik kwam behoorlijk kapot, maar uitzinnig van vreugde over de finish in een tijd van 10’56’52 (zo bleek later uit de officiële uitslag). Het was een glorieuze avond geworden!

Nu is het ondertussen ruim 24 uur geleden dat ik deze prestatie heb geleverd. Ik kamp nog steeds met een gevoel van licht ongeloof, maar ook van euforie. Wat nu mijn doel wordt? De 10k binnen de 40 minuten. Waar en wanneer ik dat ga proberen, weet ik nog niet, maar na de afgelopen maand heb ik genoeg zelfvertrouwen dat ik dit kan halen. Tot die tijd bleef ik gewoon lekker doortrainen en met enige regelmaat mijn wedstrijden uit te zoeken. U hoort nog van mij!

Met euforische groet, Jaco.

Rondje Windsurfplas (2 reacties)

Gepost door Peter de Haan op vrijdag 3 mei 2019 13:05

Rust was er nauwelijks, beste lezertjes. Na het in het vorige kletsverhaal beschreven Rondje Windstootersplas stond precies een week later een volgende beproeving op de kalender. Op zondag 10 maart zou ik voor de vierde maal in mijn bestaan deelnemen aan het 21.1km City-Pieâh-City-festèn in Den Haag. Ik hoopte daarvoor voldoende opgewarmd te zijn door de door storm en regen geteisterde tocht met mijn hardloopmakker Arranraja. Maar het kon qua weer allemaal nog erger. Gedurende de week voor de CPC zwollen de weersvoorspellingen aan tot stormkracht. Zware windstoten werden verwacht, vooral aan de Scheveningse boulevard. Nou ging de Twiskemolenloop ondanks stormachtig weer wèl door. Maar een massale CPC in de grote stad is toch wel different cake. En omdat mevrouw Pauline Krikke nog niet al te lang geleden zware kritiek had geoogst voor het niet afgelasten van de vreudgevuren op Scheveningen en Duindorp, stond zij ditmaal als ware burgermoeder vóór in de rij om het cancellen van deze CPC van harte aan te moedigen. De ‘Pier-City-Pierloop’ zoals zij het in een interview met TV West noemde, en later ook nog ‘CCP-loop’, ach het zij haar vergeven. Het lieve mens was (ik parafraseer) in gedachten bij al die lopers en hun potentiële nabestaanden. Bless her.

Toegegeven: het was een terechte beslissing van de organisatie. Men draagt een enorme verantwoordelijkheid voor tienduizenden atleten, hun supporters en uiteraard ook alle vrijwilligers. Het is een grootschalige loop met een grote reputatie, en één incident zou for years to come een enorme smet op het evenement werpen. De vergelijkingen met de Twiskemolenloop gaan om die reden enigszins mank. Maar wel zijn er in beide gevallen grote risico’s aan te wijzen, zij het dat ze verschillend zijn. In het Twiske loop je weinig kans om tegen een vallende dakpan aan te lopen; in Den Haag loop je nèt wat minder kans om door een omvallende boom te worden tegengehouden. Wel schijnen daar met harde wind spontaan vonkenregens te kunnen ontstaan. Maar goed, elke organisatie maakt zo zijn eigen afwegingen. Door het Haagse evenement ging in ieder geval een dikke streep, met dank aan het illustere viertal Aeolus, Njord, Fujin en Fei Lan dat op wrede wijze de CPC-droom aan flarden blies.

Toch was het eigenlijk wel een raar gevoel die dag: je staat ’s-ochtends vroeg op met de gedachte dat je een goede twee uur gaat hardlopen. Die gedachte wordt dan in één klap vervangen door de wetenschap dat je he-le-maal niets gaat doen. De hele dag voelt dat extreem raar, extreem hyper en tegelijkertijd hypo. En dat zowel fysiek als psychisch – ofschoon deze termen volgens de Klisjeemannetjes hetzelfde betekenen. Naar buiten gaan om dan maar in alle eenzaamheid een duurloopje te verhapstukken (bron: Arranraja) was op deze barre dag niet mogelijk. Enfin, dan maar een goed boek gepakt. Na twee uur rusteloos lezen in Deep South van Paul Theroux – by far my fav travel writer – klapte ik het schootcomputertje open, op zoek naar loopjes die mijn wedstrijddrang op korte termijn konden bevredigen.

Die loopjes waren al snel gevonden. In de eerste plaats schreef ik mij in voor een debuut op de Zandvoort Circuit Run, geprogrammeerd tegen het eind van maart. En dan niet voor de hoofdafstand van 12km, maar voor de halve marathon. Ach ja doe maar gek, hoor ik U denken. En alsof dat nog niet genoeg was, besloot ik de voorgenomen afstand (10km) op de Reeuwijkse Plassenloop op 16 maart op te schalen naar 15. Dit alles puur ter genoegdoening voor het mij ontnemen van de CPC. Mijn wraak zou bitterzoet zijn.

En zo stond ik een kleine week later aan de boorden van de Reeuwijkse Plassen om mij 15 kilometer lang ploeteren te laten welgevallen. Want ploeteren zou het worden, zoveel stond vast. Alweer was een aanzienlijke dot wind voorspeld op deze zaterdag. Het hield maar niet op met waaien zo in de eerste helft van maart – zou dit ook een gevolg zijn van de klimaatverandering? In ieder geval niet volgens het Forum voor Democratie: volgens hen bestaat het klimaat niet eens, so why worry. Zelf omarm ik het klimaat van harte als linkse hobby, naast vele andere linkse liefhebberijen zoals mensenrechten, gelijkwaardigheid en vrede.

De 10 metrische mijlen van vandaag zouden uit twee korte ronden bestaan vlak bij de Reeuwijkse Hout, gevolgd door een grote ronde om de plas Broekvelden-Vettenbroek, in de volksmond aangeduid als de Surfplas. De Surfplas is de jongste, grootste en diepste van de 13 Reeuwijkse Plassen. Het is – ik memoreerde dit al in mijn vorige epistel – een zandwinningsplas, destijds gegraven voor de aanleg van een grote woonwijk in het aanpalende Bodegraven. De overige 12 plassen zijn veenafgravingsplassen die enige honderden jaren geleden zijn ontstaan. Het gestoken veen werd in speciale schuiten vervoerd naar plaatsen als Nieuwerbrug, Bodegraven en – jawel - Gouda. In die laatste plaats werd veel van dat veen gedroogd tot turf en opgestookt door de pottenbakkerijen en bierbrouwerijen. Op de Turfmarkt in Gouda kunt U bij gelegenheid nog één van de oude bruggetjes bewonderen die hoog genoeg waren om de turfscheepjes door te laten. Tot zover deze gesponsorde boodschap van de Goudse VVV. Ik ga vandaag nog de gage (mijn gewicht, èn dat van mijn lief, in volvette Goudse Kaas) ophalen bij de Waag.

De Surfplas triggert bij mij altijd een stukje verleden. In het begin van de jaren ’80 – ik was jong en nog maar een klein beetje bedorven – was ik een fanatiek windsurfer die graag deelnam aan wedstrijden in binnen- en buitenland. De favoriete omstandigheden waren voor mij: harde wind en open water. Ik voelde mij het meest in mijn element als ik, hangend in de trapeze en gebruikmakend van het grootste zeil, enorme vaart kon maken op lange stukken met constante wind. Op een plas als de Surfplas was dit mogelijk en daar kon ik dan ook naar hartelust werken aan mijn techniek, kracht en inzicht. Het gebruik van de trapeze vereiste immers volledige beheersing van alle drie de elementen. Mocht de wind plotsklaps draaien of veranderen van sterkte, dan was onmiddelijke reactie vereist, anders werd je met enorme kracht gekatapulteerd richting plank, mast of giek. Tot twee keer toe heb ik druipnat in mijn Camaro wetsuit op een dokterstafel mogen liggen om hoofdwonden te laten hechten. Waarna ik als toegift steevast een tetanusnaald vanuit haakse richting in het been kreeg gejaagd.

Leuke sport, dat windsurfen. Maar nu kwam ik naar de Surfplas om te hardlopen, een sport met een beduidend lager risico als het gaat om gekatapulteerd worden. Vorig jaar was het een ijskoude en stormachtige bedoening daar in Reeuwijk. Nu was het iets minder koud, maar behaaglijk voelde het allerminst. De wind kwam uit zuid-zuid-west, en dat betekende dat ik lekker voor de wind naar de Reeuwijkse Hout kon fietsen. Daar aangekomen op de grote parkeerplaats ontwaarde ik al vrij snel mijn GR-collega’s Karin, Nico en Peter – tezamen met mijzelf zou dat vandaag de vertegenwoordiging zijn van onze loopcommunity. We hadden ons alle vier ingeschreven voor de langste afstand: die van vijtien kilometer. Wat zijn we toch een bikkels, wij Goudse Runners.

Wat schroomvallig betraden wij de grote tent waar de startnummers moesten worden geïncasseerd en waar de nodige versnaperingen tegen betaling te verkrijgen waren. De schroom zat ‘m er in dat door de storm het net leek alsof de tent zou instorten. Maar al snel kwamen wij erachter dat het boeltje stevig genoeg in elkaar stak. Het geklapper van met name de tentdeuren jaagde eigenlijk nog de meeste schrik aan. Enigszins gerust namen wij elkaars plannen voor vandaag door. Mijn plan was eenvoudig: rustig aan (dan breekt het lijntje niet), niet opblazen en netjes uitlopen. En een tijd onder het anderhalf uur zou wel wenselijk zijn.

Enigzins meewarig en ongerust aanschouwden we gevieren de start van de 10km-loop. Er stond een straffe wind en af en toe spetterde het. Een half uur later zou ons dit ritueel ten deel gaan vallen. Ik toog naar de omkleedtent waar ik alle zeilen moest bijzetten om de hevig klapperende tentdeuren te ontlopen. Als je dat niet deed liep je de kans door die deuren keihard in je gezicht te worden geslagen. Ietwat geïntimideerd kleedde ik mij om en bevestigde het startnummer op het buitenste shirt. Dat was voor vandaag het werkelijk prachtige shirt van de Zevenheuvelenloop 2018 – ondanks het feit dat mijn looprek bijna ineenstort van de loopkledij had ik het kledingstuk in een moment van zwakte aangeschaft. Iedereen in de tent leek nerveus – was dit nou door het enorm klapperende tentzeil of door de beproeving die aanstaande was? Ik besloot mediterend de tijd die mij restte in de tent door te brengen. De enorme herrie hing ik geroutineerd weg aan een haakje, en zo was er ook geen herrie meer.

Het was niet de eerste keer dat ik de vijtien kilometer in het plassengebied ging lopen. Drie jaar geleden, volop in training voor mijn eerste en vooralsnog enige marathon, was ik hier op een heerlijke tijd van 1:16:30 uitgekomen, en dat na een buitengewoon krachtige en slimme race. Maar gezien mijn vorm van vandaag moeten wij dit maar als Andere Tijden Sport beschouwen. Ik zou vandaag al blij zijn als ik dit spektakel kon voltooien. Met deze gedachte verliet ik de kleedtent, deed een plas, liep een paar honderd meter in en toog met Nico naar het startvak waar al vele lopers gelaten hun lot afwachtten. Het was gelukkig droog – dat scheelt een hoop als je in een startvak moet staan.

Terwijl Nico en ik nog wat aan het filosoferen waren over de te volgen tactiek klonk om half twee scherp het startschot en werden wij weggekatapulteerd voor onze vijftien kilometer lange beproeving. Uiteraard liep Nico snel van mij weg. Ik nestelde mij in eerste instantie achter twee dames die liepen in bloemetjesjurken. Ja U leest het echt: bloemetjesjurken. Ik wist niet wat ik zag, maar ik zag wel dat het tempo dat deze gebloemde dames onderhielden te laag was om er achteraan te blijven sjokken. Na 200 meter ging ik erop en erover, op zoek naar medestanders die een voor mij aanvaardbaar tempo onderhielden. Die had ik al snel gevonden. Behaaglijk nestelde ik mij in een groepje dat moeiteloos de twee korte rondjes voltooide. Zoals gezegd: het tempo was goed, de pas was technisch gesproken in orde, en de ademhaling was prima te behappen. Ik monsterde mijn metgezellen: het waren twee mannen en twee vrouwen die allen al even beheerst liepen als ikzelf. Dat was in ieder geval een goed teken.

Na een kilometer of zeven, vlak aan de boorden van de Surfplas, maakten één van de mannen en ik ons los uit het groepje en liepen de vrije ruimte in. Mijn kompaan-for-the-moment was gehuld in blauwe loopkledij – ik zal hem voor de gelegenheid Man in Blue noemen. In de vrije ruimte voor ons verscheen al snel een mikpunt: een vrouw gehuld in geel – laten we haar dan maar Lady in Yellow noemen. Al dravend langs de noordkant van de surfplas liepen de Man in Blue en ik beheerst het gat dicht dat ons van de Lady in Yellow scheidde. En vanaf het moment dat wij haar te grazen hadden genomen begonnen we gedrieën in een waaier te lopen. Hoe zag dat er dan uit, hoor ik U denken? Wel: in een rijtje in de windrichting lopen en dan steeds van positie wisselen. Zo trachtten wij het leed gelijkmatig te verdelen. En we zagen dat het goed was.

Gezellig keuvelend overbrugden wij gezamenlijk een aantal kilometers. De Man in Blue was aan het trainen voor zijn alweer zevende marathon, op 7 april in Rotterdam. Deze loop paste, zo vertelde hij ons, héél goed in zijn trainingsschema. Good for him. De Lady in Yellow had het, net zoals ondergetekende, bij één marathon gelaten. Die vond plaats precies één jaar voordat ik ‘m liep, en ook in Leiden. Zoiets schept een band, zo spraken wij ontroerd tot elkaar.

Na de drankpost bij het 10km-punt versnelde de Man in Blue lichtjes. Mijn buurvrouw en ik keken elkaar aan, en in deze blik van verstandhouding lag opgesloten dat wij ons eigen tempo zouden blijven volgen. Ik ging schuin voor mijn metgezellin lopen, en zij nestelde zich behaaglijk in mijn kielzog en gaf zich over aan mijn haastempo.Gezamenlijk overbrugden wij op deze manier drie kilometers – we hadden de Surfplas nu bijna gerond. De Man in Blue liep nog binnen schootsafstand – nu vergezeld van een jeugdige paardenstaart – maar ik sprak tot mijn geelgeklede medeloopster dat wij niet een inhaalrace moesten beginnen, anders zou het ons slecht vergaan. Zwijgend legde zij zich neer bij deze eenzijdig gekozen wedstrijdstrategie.

Na iets meer dan dertien kilometer gebeurde er iets opmerkelijks: er lag een gigantische, diepe plas over de gehele breedte van het pad. Er was geen ontsnappen mogelijk: wij moesten er dwars doorheen. Onze hardloopschoentjes vulden zich volledig met water, en klotsend vervolgden wij onze weg. Dit was allemaal teveel voor mijn metgezellin die helaas proestend en reutelend moest afhaken, Doordat ik nu weer alleen liep moest ik mijn vizier weer vooruit richten. Niet ver voor mij liepen drie jongelui die zo te zien geanimeerd keuvelend hun tocht aan het volbrengen waren. Alsof het allemaal niets kostte. Deze hovaardige gasten moest ik te pakken gaan nemen, al was het alleen als extra stimulans om die laatste twee kilometers door te komen. Ik was immers zelf ook niet helemaal okselfris meer.

Het jeugdige trio kon ik gelukkig al snel bij- en inhalen. Er zat daarna nog net voldoende energie in de tank om nog een weinig te versnellen. En dat was maar goed ook, want de 90-minutenkaap kwam rap in zicht. Het gas ging er nog even stevig op, en jawel: na precies 15 kilometer kon ik mijn klokje indrukken op een netto tijd van 1:29:41. Missie geslaagd, deels dankzij mijn medelopers, deels dankzij mijzelf. Tevreden liet ik mij een medaille omhangen en nam ik de versnaperingen (sportdrank en een stukje Goudse) in ontvangst. Vervolgens draaide ik mij om en supporterde ik luidkeels de Lady in Yellow over de verlossende finish. Ook haar beproeving zat erop – en ook zij kon tevreden zijn.

Luid smakkend op het stukje kaas (het leek eerlijk gezegd wel plastic met een zurig smaakje) liep ik naar de grote, immer klapperende, tent. Daar stuitte ik op mijn mede-Goudse Runners Karin, Nico en Peter. Ook zij hadden het evenement goed doorstaan, met tijden die meer tot de verbeelding spraken dan de mijne. Karin bleek zelfs in haar leeftijdscategorie de tweede plaats te hebben behaald. Waarvoor hulde. Ikzelf was ook als tweede geëindigd in mijn eigen leeftijdscategorie, maar dan wel van onderen. Waarvoor natuurlijk ook hulde: het is mooi om in ieder geval toch nog íemand achter je gelaten te hebben.

Nawoord: de fietstocht naar huis werd een ware marteltocht tegen de storm in. Zes loodzware kilometers lang kwam ik nauwelijks vooruit, en af en toe stond ik bijna stil of viel ik haast van het stalen ros af. Volledig uitgewoond arriveerde ik bij ons pittoreske huisje vlak bij de Goudse binnenstad. Mijn wettelijk geregistreerd partner keek mij meewarig doch liefdevol aan. Eigenlijk kon ik niet meer op mijn benen staan. Die avond lag ik al om zeven uur in mijn warme mandje, om er pas tegen het eind van de zondagochtend uit te komen. Eén en ander had toch wel een beetje zijn tol geëist. Maar misschien had ik ook wel een kleinigheidje onder de leden, wie zal het zeggen. Het herstel moest echter wel vlot op gang komen, want twee weken later stond alweer een enorme kraker op het programma: de 21.1km Zandvoort Circuit Run over (jawel!) circuit, strand en duin. Maar daarover meer in een volgend opstelletje.

Foto's bij deze blogpost

IMG_9838.JPG

World marathon majors 6 Star finisher

Gepost door Runhedwigrun op donderdag 2 mei 2019 14:37

Foto's bij deze blogpost

927513_289033612_XLarge.jpg

Ploeteren in Amsterdam-Oost (2 reacties)

Gepost door Arranraja op vrijdag 26 april 2019 12:55

Met mooie plaatjes ook te lezen op https://arranraja.wordpress.com/2019/04/24/ploeteren-in-amsterdam-oost/

Met de Nescioloop heb ik de laatste jaren een knipperlichtrelatie. Nadat ik van 2012 t/m 2015 jaarlijks deelnam, werd het vervolgens om het jaar. Dit omdat ik zowel in 2016 als vorig jaar door lichamelijke ongemakken verstek moest laten gaan. In 2018 waren dat trouwens de naweeën van een blindedarmoperatie. M.a.w. het zat toen in ieder geval niet tussen mijn oren maar er was sprake van een legitiem excuus. Het lijkt er inmiddels een beetje op alsof lappenmandverschijnselen in het vroege voorjaar een traditie aan het worden zijn. Want de week voorafgaand aan deze editie had ik opnieuw last van een kleine malaise. Gelukkig bleek die een hernieuwde kennismaking met deze trimloop door mijn trainingsgebied en achtertuin niet in gevaar te kunnen brengen. Met andere woorden, ik was er tijdig weer voldoende bovenop om van start te gaan op de AV ‘23-atletiekbaan.

Bijna kreeg ik dus spijt dat ik, voor mijn doen althans, in een vroeg stadium had ingeschreven. Maar op zaterdag fietste ik gewoon naar Amsterdam-Oost om daags tevoren startnummer en losse chip (die kom je alleen nog maar tegen in onze kosmopolitische metropool) in te palmen. Dat scheelde de volgende, relatief vroege, ochtend weer het staan in de rij en het te elfder ure opspelden van het nummerpapiertje. Ik kon mij derhalve concentreren op belangrijker zaken zoals tas afgeven, toiletbezoek, pakje leegdrinken, strekoefeningen en warmlopen. Zo ging ik op 14 april van start bij de 14e editie van de ‘leukste loop van Amsterdam-Oost’, zoals deze zich op de eigen website tegenwoordig afficheert. Mede door de eerder genoemde, dubbele absentie was dit helaas niet mijn 14e, maar de 12e deelname aan een door AV ‘23 georganiseerde trimloop (naast deze ook zesmaal de Middenmeerloop). Gewoontegetrouw begaf ik mij pas kort voor het startschot naar een van de vakken. Ik koos voor het achterste, dat van de meest relaxte lopers. Er was door de organisatie voorzien in een aantal pacers. Maar die van de meest bescheiden eindtijd, 1:25 minuten, leek mij mede gezien mijn nog ietwat gammele fysieke toestand een tikkeltje te rap en te voortvarend. Mijn enige plan was om rustig aan te gaan, te volharden en min of meer hardlopend de vijftien geprogrammeerde kilometers te volbrengen.

Als ik terugkijk naar tijden en snelheden, ging dat zeker tijdens het eerste deel best heel aardig. Kilometers 2 t/m 4 deed ik heel netjes binnen de 6 minuten per stuk, oftewel een tikkie boven de 10/uur. Dat lukte dus ook tijdens de vierde kilometer, toen ik voor mijn gevoel heel moeizaam de Nesciobrug beklom. ‘“De Nesciobrug is de langste fiets- en voetgangersbrug van Nederland”. Hij hangt boven het Amsterdam-Rijnkanaal en verbindt, op de gemeentegrens met Diemen, het uiterste puntje van Amsterdam-Oost/ Watergraafsmeer met het recreatiegebied Diemerpark en de erachter gelegen wijk IJburg. "Een schitterende uitdaging voor de echte loper omdat er over een lengte van 800 meter een kleine 20 hoogtemeters moet worden overbrugd” (toenmalig citaat van nescioloop.nl). Dit schreef ik ooit in mijn eerste blog over deze brug, die ik toch zeker tijdens 50 procent van mijn trainingen beklim. Het gaat wel eens vaker wat lastig brug-op, zeker als ik onderaan juist mijn duurloop ben begonnen maar nu werkten de benen naar mijn idee echt niet lekker soepel mee. Toch wel apart dat die vierde kilometer achteraf gezien nota bene de snelste van de hele rit bleek te zijn. Want de aansluitende elf stuks kwam ik helemaal niet meer onder de 6 minuten per kilometer. Sterker nog, de snelheidsmeter liep heel langzaam, maar gestaag terug.

Na het afdalen naar ongeveer Nieuw Amsterdams Peil, liep het parcours 2,5 km over wat ik steevast ‘Hermans Kattenpad’ pleeg te noemen. Een stil pad direct langs het kanaalwater. Onlangs was ik hier nog ongenood vergast op ontelbare zwermen muggen, die zo graag de geopende mond in willen duiken. Bah! Omdat er nu een frisse bries stond, waren die insecten gelukkig niet van de partij. En anderhalve week later was het daar een feest met uitbundig bloeiend koolzaad en fluitenkruid. Inmiddels had zich een redelijk vast gezelschap van voornamelijk vrouwelijke deelnemers om mij heen gevormd. Een van die dames werd in mijn beleving op dit lange, rechte eind een tikkeltje hinderlijk. Ze liep op haar dooie gemakkie voor mij, keek geregeld om en hield dan in, blijkbaar om een eveneens vrouwelijke compagnon op sleeptouw te nemen. Even later kwam ze dan weer langs mij heen. Ik was, zoals eerder genoemd, niet superfris en had alle energie nodig om voort te gaan. De lezer zal het gegeven wel herkennen dat bij vermoeidheid ergernis eerder optreedt dan wanneer men fris en monter is.

Gelukkig kwam vanuit de richting Weesp het prachtige cruiseschip met de mooie naam Grace, langzaam en statig voorbijglijden. Die witte boot ging zo traag dat een vrachtschip er langsheen stoomde. Doorgaans gebeurt dat andersom en zijn de passagiersboten rapper. Nu kon ik wat langer van Gracie in haar volle glorie genieten. Ergens aan het einde van het pad, hoorde ik twee deelneemsters zich beklagen over het feit dat de kilometerbordjes langs de route niet klopten met hun gps-gegevens. Ik verspilde er wijselijk geen adem aan, maar had intussen wel de neiging iets te roepen over Geen Precies Systeem. Anderzijds heeft deze loop Geen Gecertificeerd Parcours. Tijdens de eerste helft gaf mijn Garmin de kilometers een stuk eerder aan dat de bordjes dat deden, maar dat werd later meer gelijkgetrokken en uiteindelijk zette ik bij 14,92 km mijn registratie stil. De vraag rijst dus of wij wel 15 volledige kilometers gelopen hebben? Mijn inschatting is van niet.

Als je niet heel soepel loopt, is de klinkerweg onderaan het meest oostelijke stukje Diemerzeedijk extra lastig. Ik loop überhaupt niet heel graag op deze ondergrond en als je dan ter linkerzijde boven je de snellere deelnemers ziet voortgaan die het fort reeds hebben gerond en op de terugweg zijn, dan is het even slikken en doorbijten. Onder die deelnemers waren wel twee stellen pacers voor wat rappere eindtijden, dus zo’n drama was het eigenlijk niet. Maar toch! Zelf zag ik aan het begin van die terugweg de langzaamste participanten met in hun kielzog de bezemfietser, vanaf de klinkers de dijk opkomen in de richting van het fort dat ik reeds achter mij gelaten had. Dat was dan wel weer een opbeurend momentje. Het hielp ook bij het verwerken van een eerder akkefietje. Toen ik ruim langs de drinkpost aan de achterkant van Fort bij Diemerdam liep, voelde ik plots iets mijn achterste voet aanraken. Direct daarop hoorde ik: ‘‘Sorry meneer!’. Het bleek dat de vrouwelijke metgezel van de eerder genoemde irritante dame te dicht achter mij langs, richting de waterpost was gestoken. Het was gelukkig slechts een lichte aanraking maar voor hetzelfde geld had deze loopster mij echt pootje gelicht en was ik vol tegen de klinkers gegaan. Dat had van alles kunnen betekenen: kneuzingen, botbreuken, bloedbaden, misschien wel einde oefening voor deze loop. Niet vreemd dat ik behoorlijk gebelgd, om niet te zeggen verontwaardigd was over de actie van de dame. Ik weet zeker dat ik op z’n minst een mopperend geluid heb laten horen. Het kostte derhalve even tijd om het voorval definitief achter mij te laten.

Eenmaal op de dijk zag ik eindje verderop Gilbert lopen. Deze broer van een oud-collega is doorgaans een stukje sneller dan ondergetekende. Dus het verraste mij om hem in zicht te krijgen en daarbij tevens het idee te hebben dat ik de afstand tussen ons kleiner zag worden. Het damesduo en hun eeuwige schaduw, zijnde een zwijgzame, derde loopster, was inmiddels langs mij heen geschoven. De vrouw die mij al eerder ergerde, presteerde het daarbij om honderduit te kletsen tegen haar metgezel. Terwijl ik echt alle adem nodig had om de schwung er nog enigermate in te houden, was mevrouw maar aan het ouwenelen. En intussen gingen zij ook nog eens doodleuk afstand van mij nemen. Daarnaast bleek Gilbert nu toch van mij weg te lopen. Kortom, gevoegd bij het feit dat het rennen allengs zwaarder ging, was ik niet bijster geamuseerd. En wij bevonden pas op circa de helft van het 15 km-parcours!

Het feit dat ik hier ieder stukje asfalt als mijn broekzak ken, hielp mij niet in het gewenste tempo te volharden. Laat staan er een schepje bovenop te gooien teneinde in de voetsporen van de beschreven medestanders te volgen. Tijdens kilometer 8 haalde ik nog slechts 9,58/uur. Nummers 9 en 10 gaven zowaar een kleine, zij het relatieve, opleving te zien met 9,76 en 9,82/uur. Daarna werd het volhouden en harken geblazen met een snelheid van slechts net iets boven de 9,5/uur. Mijn hartslag zat dan ook al een tijdje, voor wat de polsmeting waard is, ruim boven de 160. Ik zag de genoemde dames langzaam maar zeker steeds verder weglopen en uit het zicht verdwijnen. Langs mijn oefenstrandje en enigszins heuvel-op hield ik het nog wel vol. Bij de IJburgse Hockeyclub was een groot springkussen te zien en er schalde luide muziek. Daarna kreeg ik de neiging om een stukje te gaan wandelen maar kon die in ieder geval onderdrukken en uitstellen tot na de retourpassage van de Nesciobrug. Eenmaal dat obstakel bedwongen hebbende, besloot ik al spoedig toch gewoon door te bijten en te blijven hobbelen. Er dienden tenslotte nog maar 3000 meters verhapstukt te worden. Kortom, het helpt echt om in blokken, kilometers of delen van het parcours te denken in tijden van vermoeidheid en defaitisme. En op die manier overwegingen tot wandelen of stoppen telkens naar voren te schuiven.

De voorlaatste kilometer over Sciencepark, door de tunnel onder het spoor en Sportpark Middenmeer weer op, was weliswaar een vlakke. Maar ik wist nog maar net boven de 9/uur uit te komen en zat er hier echt korte tijd compleet doorheen. Het keiharde, alles doordringende geluid van de brullende motorfiets die precies tegelijk met mij de spooronderdoorgang passeerde, teisterde mijn oren en vermoeide hoofd zeer zwaar. Ik had de bestuurder van die herriebak op dat moment echt iets heel onaardigs willen aandoen! De laatste, naar het zich dus laat aanzien onvolledige, kilometer vond ik tóch nog wat onvermoede brandstof helemaal onderin mijn reservetank. Ik zag geen mededingers direct achter mij en dat wilde ik tot en met de eindstreep zo houden. Zowaar slaagde ik er in nu weer een snelheid van 9,7/uur uit het vermoeide lijf te persen. Tussen de sportvelden door ploeterende, zag ik Gilbert op de baan zijn laatste driekwart ronde afleggen. Nog steeds zonder nekhijgers belandde ik ook op het kunststof en ging zo goed en zo kwaad aan. Ik hoorde de speaker mijn naam noemen en kwam solo over de matten, waar ik na 1:31:50 mijn klokje stilzette.

De chip werd direct van mijn schoen geknipt en een vaantje werd mij in de handen gedrukt. Ik had het volbracht en kon gaan uitblazen en een beetje uitwandelen. Ik sprak kort met Gilbert, haalde mijn tas op en nam in de vochtig-warme kleedkamer alle tijd om bij te komen en om te kleden. Tijdens de daaropvolgende wandeling huiswaarts, was ik alweer enigermate hersteld maar ik had thuis een fikse hoeveelheid hete pleur nodig om verder bij de mensen te komen. Wel had ik voor de achtentachtigste keer een trimloop succesvol voltooid. Tot nu toe slechts één enkele keer moest ik door een spierblessure een loop voortijdig verlaten. Trimloop nummer negentig staat binnenkort reeds op het programma, als ik bij de naburige Roze loop, ook voor de zesde keer, acte de présence ga geven. Na een paar trainingslopen waarbij het gelukkig weer een stukje soepeler ging, heb ik daar veel zin in. Ik ga daar opnieuw 15 km verhapstukken en zal dan iets rapper moeten zijn dan bij de hierboven beschreven buurloop. Naar verluidt sluit men in Amsterdam-Zeeburg namelijk de finish reeds 90 minuten na de start. Eigenlijk heb ik dan een Peter de Haas nodig om mij vóór die tijd binnen te loodsen.

Rondje Windstootersplas

Gepost door Peter de Haan op donderdag 25 april 2019 22:17

Zoals in hardloopkringen genoegzaam bekend trekt éénmaal per jaar het Dam-tot-Damcircus van Amsterdam naar Zaandam. In september 2019 hoopt schrijver dezes DV daar zijn eigen persoonlijke jubileum te vieren. Immers: het zal voor de vijfde keer zijn dat ik aan dit Vrolijke Volksfestijn ga deelnemen. In 2015, toen nog als businessloper voor UWV, liet ik mij voor het eerst dit spektakel welgevallen – en ik heb sindsdien geen editie overgeslagen.

Als ik bij het verhapstukken (bron: Arranraja) van deze tocht zo tussen kilometer 10 en 11 eens goed naar rechts zou kijken, dan zou ik het misschien kunnen zien liggen. Een nog onontdekt gebied, door mij dan wel te verstaan. Een gebied dat enigszins zit ingeklemd tussen de dorpskernen Oostzaan, Landsmeer en Den Ilp. Een ‘area of outstanding beauty’ zouden de Engelsen direct zeggen, mochten ze het aanschouwen. De National Trust zou het zich onmiddellijk toeëigenen. Maar wat nog veel belangrijker is: dit is het gebied waarin mijn hardloop- en blogvriend Arranraja zich pas ècht thuis voelt. Als deze bij leven al legendarische meesterblogger zijn atletische kunsten in Het Twiske tentoonspreidt is hij pas echt in zijn element, en wordt hij één met de prachtige natuur die het gebied kenmerkt.

Van egoïsme kun je Arranraja op geen enkele manier betichten. Hij zou Het Twiske ook gewoon voor zichzelf kunnen houden. Maar beter dan dat probeert hij al sinds jaar en dag langs slinkse wegen de blogcollega’s van Looptijden dit gebied in te lokken. Vorig jaar nog lieten Jan en Jaco zich vermurwen om samen met hem de Twiskemolenloop te tackelen. En uit de door een met zorg uitgekozen vrijwilliger gemaakte foto van het drietal blijkt dat het Twiske-virus ook al op Arranraja’s makkers was overgeslagen.

Uw dienstwillige dienaar was ‘a bit more hard to get’. Wel had ik met mijn blogkompaan al drie maal de Vechtloop tot een goed einde gebracht, en ook hadden wij nog in oktober 2018 de Middenmeerloop door zijn woonplaats succesvol geattaqueerd, ondanks de verwoede pogingen van de organisatie om ons op allerlei dwaalsporen te brengen. Maar de Twiskemolenloop: nee, zóver had hij mij nog niet gekregen.

Maar goed, zoals het Oudhollandsch gezegde luidt: ‘één keer moet de eerste zijn’. Stiekem zat ik er zo nu en dan al eens over te denken om mijn opwachting in dat mooie stukje Noord-Holland te maken. En daarbij: ik zat tussen Schoorl (10km) en CPC (21,1km) nog met een te overbruggen trainingsgap. Een afstand van 15 of 16.1 kilometer zou wel mooi in dat plaatje passen. Via de app bracht ik Arranraja van mijn overwegingen op de hoogte. Onmiddellijk sloeg hij aan: op 3 maart stond voor hem de 16.1km-loop in het Twiske op het programma, en zou ik dan niet genegen zijn......?

Uiteraard was ik genegen: het is altijd een groot genoegen om met deze buitengewoon amicale blogvriend een wedstrijdloopje te nemen. Ik schreef mij per omgaande in voor het Twiskefestijn en begon Google Maps en Wikipedia eens goed te bestuderen. Zo leerde ik dat het woord ‘Twiske’ in het Oudfries ‘Tussen’ of ‘Tussenwater’ betekent. Het zou gaan om een tussenwater dat de grens zou vormen tussen twee gebieden, in dit geval Oostzaan en Landsmeer. Het is ook een veengebied: op niet al te grote schaal werd er turf gewonnen. In dat opzicht voelde ik mij al meteen verwant: bij mij ligt het veenplassengebied ‘Reeuwijkse Plassen’ zowat in mijn achtertuin. En er is meer: een significant deel van beide veenplassengebieden bestaat uit een grote diepe zandwinningsplas. In het geval van Reeuwijk diende dat deels voor de aanbouw van een wijk in Bodegraven, in het geval van het Twiske diende het voor het Coentunneltracé (besmet woord, red.) en voor een wijk in het nabijgelegen Purmerend. De grote centraal gelegen zandwinningsplas in Het Twiske heet De Stootersplas.

Inmiddels is Het Twiske een recreatieschap geworden, met zowel aandacht voor sport en recreatie als voor de natuurwaarde. Hierbij is buitengewoon veel aandacht besteed aan het behoud van het Waterlandse karakter in het hele gebied. Dit laatste moest ik er op aandringen van de plaatselijke VVV bij zetten. Het is - heel slecht samengevat - een gebied van 650 hectare groot, dat voor ongeveer een derde uit water bestaat. Hier wilde ik het eigenlijk maar bij laten, want anders gaat dit hardloopblog over de maximale hoeveelheid karakters heen die Looptijden mij toestaat voor mijn kletsverhaaltjes. En ik ben al eens op rantsoen gezet, vergezeld van een officiële waarschuwing.

De Twiskemolenloop door bovengenoemd gebied is de met voorsprong favoriete loop van Arranraja. Deze gezamenlijke editie zou voor hem alweer nummertje 29 worden, voor mij was dit uiteraard het debuut. Al append hielden wij elkaar op de hoogte van onze voorbereidingen. Daarbij zagen wij tot ons leedwezen dat de weersvoorspellingen voor die 3e maart slechter en slechter werden. Stormen zou het, storten zou het. Maar enfin: we moesten het maar nemen zoals het zich voor zou doen, en we moesten ons ook maar niet druk maken over dingen waaraan we toch niets konden veranderen. Met die instelling bereidden wij ons voor op dat wat komen ging.

Na het betrachten van het nodige geduld brak dan eindelijk de wedstrijddag aan. Eindelijk zou ik de karakteristieke Twiske Molen zien, vernoemd naar die loop die daar al sinds jaar en dag gehouden wordt. Eindelijk zou ik de Bonnie Lasses zien: de Pretty Girls die als runderen vermomd het Twiske kaal grazen. Eindelijk zou ik dat atletiekbaantje van Antilopen Club Waterland, met een vloer van gravel, aanschouwen en zouden mijn hardloopvoetjes voelen hoe dat voelt. Eindelijk zou ik zien en voelen waarom deze loop in het leven van Arranraja zo’n prominente plaats inneemt. Misschien zou het virus ook op mij overslaan, gelijk als hoe het Jan en Jaco ooit besmet had. Het zou zomaar kunnen, nietwaar?

Op die storm- en regenachtige zondagochtend ontsnapte ik voor dag en dauw uit mijn stulp en liep ik tussen de regendruppels door naar het pythagoreske Goudse station. In de boemel naar Amsterdam overkwam mij exact hetzelfde als de vorige keer, toen ik naar Schoorl ging. Mijn treincoupé werd plotseling bevolkt door kinderen met een sterk verhoogd ADD-, ADHD- en hufterigheidsgehalte. Schreeuwend en krijsend nam het hele zootje zo dicht mogelijk bij mij plaats, als was het om mij te kwellen. Maar gelukkig had ik ditmaal een escapemogelijkheid. Was een drietal weken daarvoor de trein zo klein dat ik niet aan de kwelgeestjes kon ontsnappen, nu kon ik mijn toevlucht zoeken tot een verder naar achter gelegen gedeelte van het vehikel. Waarna de rust bij mij wederkeerde. En ik zag dat het goed was.

Totaal relaxed arriveerde ik na een klein uurtje op Amsterdam Centraal. Daar bezocht ik de Kiosk en de stationstoiletten om de in- en uitgaande stromen te reguleren. Vervolgens maakte ik de overstap naar een boemeltreintje dat de barre tocht naar Diemen ging ondernemen. Arranraja en ik waren namelijk overeengekomen dat hij mij met zijn voiture op het plaatselijke station zou oppikken. Voordat de trein vertrok werd ik aangesproken door een man van – denk ik – Afrikaanse afkomst. Hij moest naar Alkmaar begreep ik al snel, maar hij was door het dienstdoende perronpersoneel in deze stoptrein gedirigeerd. En die ging nou uitgerekend de andere kant op. Nadat ik hem in mijn beste Engels had uitgelegd hoe, wat en waar te handelen verliet hij de trein, buitengewoon gepikeerd over de adviezen van de NS-beambten.

Vlak naast het stationnetje van Diemen stond godzijdank een abri waarin ik voor de plensregen kon schuilen terwijl ik op mijn kompaan wachtte. Na het lezen van zijn blauw, blauw, blauwe blog had ik begrepen dat ik moest uitkijken naar een ‘zilvergrijze Note met achterop het gelukkig wel blauwe bordje met het opschrift 'Pure Drive'. Lang duurde het wachten gelukkig niet want binnen 5 minuten kwam hij aangescheurd en zette hij zijn wagen met gierende banden voor mij stil. De begroeting was uiteraard weer allerhartelijkst. Het was al aardig laden en lossen voor hem geweest die ochtend, want vrouw- en dochterlief waren door hem eerder al naar de Jaap Edenbaan gebracht. Lekker schaatsweertje, trouwens. Swingend op de opzwepende klanken van een Bluegrass-fenomeen reden wij richting de uitgang van Diemen. Vandaar spoedden wij de A1 en vervolgens de A10 op. Vol vuur vertelde Arranraja over de bijnaam van Diemen-Noord, dat door allerlei afrekeningen in het criminele circuit aldaar heel toepasselijk tot ‘Diemen-Moord’ was omgedoopt. Het zal je maar gebeuren, zo in je achtertuin.

In het schilderachtige Landsmeer vonden wij een mooi plekje voor de auto. Vandaar wandelden wij door de gestaag vallende regen richting het sportpark waarop ook AC Waterland zijn domicilie hield. Het viel ons op dat ondanks het weer een aanzienlijk aantal lopers de weg naar het Twiske Atletiekstadion had gevonden. Mooi, dan waren we in ieder geval niet de enigen vandaag. Alleen ga je sneller, samen ga je verder. Deze tegeltjeswijsheid zou ons vandaag heel goed van pas komen.

Snel confisqueerden wij onze startnummers bij de balie en vluchtten we door de gutsende regen richting kleedkamers. Hier was het warm en bedompt, maar in ieder geval konden wij ons fatsoenlijk omkleden en het startnummer op het buitenste shirt monteren. Schielijk bracht ik al mijn doping in, uit angst door mijn hardloopgezel of door andere atleten betrapt te worden. Op een schorsing van twee jaar zit ik immers niet te wachten. Uiterste zorg werd vervolgens besteed aan het aantrekken van de Action-poncho’s (met hoodie!) die ons tegen de ergste regen, wind en kou moesten beschermen. Na nog een minuscule sanitaire stop traden wij maar weer naar buiten, de barre elementen tegemoet.

Volgens goed hardlopersgebruik liepen wij onszelf warm, ditmaal over de verharde paden van het sportpark. De gravelbaan van AC Waterland was hier niet geschikt voor, zo hadden wij in een enkele oogopslag al gezien. Wel moesten we uiteraard onze wedstrijd starten op de baan, en hier na 16.1 lange kilometers ook finishen. Dat zou al erg genoeg zijn. Tijdens het inlopen merkte Arranraja op dat mijn ponchootje een wel heel muzikaal geluid maakte op het ritme van mijn dribbelpas. Waarschijnlijk voelde het kledingstuk zich geïnspireerd door de bluegrass-klanken die het op de heenweg vanuit de sporttas moet hebben gehoord.

Als een zwaard van Damocles kwam de vermaledijde start van deze ongetwijfeld monsterlijke beproeving dichterbij. We bestudeerden nog eenmaal het parcours, en kwamen tot de conclusie dat de eerste 7 kilometers betrekkelijk gemakkelijk zouden worden - door de windrichting en mogelijk ook de beschutting door het struweel. Op kilometer 7 zouden wij achterin Het Twiske zijn gearriveerd en zou de storm vol op de kop komen te staan, dit tot iets na het 9km-punt. Daarna zou er weer wat beschutting zijn gedurende 3 kilometer, maar de laatste kilometers zouden weer een helletocht worden. Koortsachtig dachten wij na over het ideale strijdplan.

Het verstandigste zou zijn om de eerste kilometers niet te veel energie te verbranden, en te proberen in een groepje het punt te bereiken waar de storm pas echt zou opsteken. Daarna zouden we wel zien hoe onze krachten zich tot elkaar zouden verhouden. Kortom: eerst maar eens 7 kilometer doorkomen met de rem erop. We moesten ons niet laten verleiden door de rugwind, want ongemerkt verspeel je dan toch veel energie. Tijdsambities spraken wij niet uit: het zou zo zwaar worden dat elke gedachte aan een fatsoenlijke eindtijd overboord moest worden gegooid.

Met deze strategie in het hoofd lieten wij ons klokslag vijf over elf wegschieten voor de iets meer dan zestien kilometer lange monstertocht. De eerste honderden meters speelden zich af op de baan die er compleet verzopen bij lag. Grote plassen zorgden ervoor dat het waterpeil in de hardloopschoentjes al snel ver boven NLP (Nieuw Landsmeers Peil) was gestegen. Met klotsende sokken verlieten wij het atletiekstadion op zoek naar het markante Twiske-gebied. Op weg daar naartoe vormde zich al snel een groepje van zeven personen met een gezamenlijk strijdplan: vier Brabanders (drie mannen, één vrouw), één dame in felroze loopkledij, mijn loopmakker en ikzelf. Tevreden over deze gang van zaken nestelden wij ons in het midden van dat groepje, waarbij ik – als haas van dienst - Arranraja wel af en toe moest manen om zich in te houden. Intussen maakte mijn kompaan mij/ons attent op allerlei landmarks in dit inderdaad schitterende gebied. Die Brabanders leken overigens wel heel gelukkig op deze manier de carnaval ontvlucht te hebben, zo bevrijd liepen zij daar rond. Je moet wel een enorme pesthekel aan carnaval hebben wil je in in plaats daarvan door de gierende storm en striemende regen door het Twiske gaan watertrappen.

Maar enfin, ieder zijn of haar eigen liefhebberij. Deel één van ons strijdplan was geslaagd, hoewel wij al snel merkten dat onze vrienden uit het zuiden niet allemaal dezelfde loopsterkte hadden. Na een kilometer of zes kozen twee van hen het hazenpad samen met de Pink Lady, en nadat wij nog enige honderden meters met de twee achterblijvers hadden meegehobbeld vond ik dat er maar eens een klein tandje bij moest. Langzaam maar zeker schoven Arranraja en ik weg van onze metgezellen en liepen zo het Brabantse gat in. We waren nu vlak bij kilometer zeven, en het zou nu echt serieus gaan worden. De wind was nu aangewakkerd tot een zware storm, en wij allen zetten ons schrap voor wat komen ging.

Na een korte draai kregen wij inderdaad de storm vol op de kop. We bevonden ons nu aan de overkant van de Stootersplas, en er waren geen bomen te bekennen die de tot orkaankracht aangezwollen storm nog enigzins konden breken. Nou ja orkaankracht, ach zo voelde het toch wel even. Zelf vind ik dit soort uitdagingen geweldig, dus ondanks alle windwaarschuwingen van Arranraja kwam nu dus mijn favoriete gedeelte. Het werd een echte stormbaan voor zeven individuen. Bij elkaar lopen lukte simpelweg niet meer. Gaandeweg naderde ik de voorste twee Brabantse lopers die zich wat inhielden, en de Lady in Pink die wel de grootste moeite had. Het gat met mijn medeblogger liet ik niet verder oplopen dan een meter of 10. Al buffelend en ploeterend streek ik neer op een wat oudere dame, die naar achteraf bleek bezig was aan de halve marathonafstand. Ik vroeg haar hoe het ging, en na haar positieve antwoord gaf ik haar mee dat ‘je wèl voelt dat je leeft, toch?’. En ‘We doen dit wèl voor ons plezier, toch?’ Of het arme mens hier wat aan heeft gehad? Geen idee, maar mijn intenties waren in ieder geval goed.

Na 9 kilometer kwam een hergroepering tot stand. Zwaar vermoeid na deze monsterlijke inspanning werd weer even de geborgenheid van de groep opgezocht, konden wij even op adem komen en werden de eerste ervaringen uitgewisseld. Het was een stuk luwer nu in de beschutting van de bossages. We waren nu weer aan de zuidkant van de Stootersplas. Nu zouden we weldra langs de Bonnie Lasses van Arranraja komen, maar volgens mij hadden deze Pretty Ladies heel verstandig de Code Oranje van het KNMI in de koeienoren geknoopt en hadden zij al even wijselijk de stal opgezocht.

Bij de drankpost op 11 kilometer nam het gezelschap even de tijd om één of twee watertjes tot zich te nemen. Arranraja pakt echter nooit bekertjes aan van vreemden, zelfs hier niet, maar doet altijd een beroep op zijn eigen fles met versterkende middelen. Omdat hij dat in hardlooppas bleef doen, moest ik na het laven even flink aanzetten om mijn makker bij te sloffen. Hierdoor viel wèl het hele groepje, en nu definitief, uiteen. Getweeën maakten wij ons op voor de laatste kilometers van onze 10 Engelse Mijlen, waarvan we wisten dat het nog een hels stuk zou worden. Op gezette tijden kwamen wij de lopers van de halve marathon tegen die overigens in de tweede helft van hun tocht een geheel van ons verschillend parcours liepen. Ze kwamen van allerlei kanten. Met de laatste krachten worstelde een ieder zich door het laatste stuk heen, een stuk waar wederom geen bomen stonden en waar de (tegen)wind vrij spel had.

Na iets meer dan 14 kilometer kwam dan eindelijk de Twiske Molen in zicht, en wisten wij dat het lijden niet lang meer zou duren. Arranraja liep al enige tijd op zijn laatste benen, en ikzelf had nog nèt een beetje peut in de tank over voor een lichte versnelling. Op kilometer 15, bijna terug bij het sportpark, sloeg ik een gat met mijn loopkompaan, een gat dat door hem niet meer dichtgelopen kon worden. De laatste 300 meter (volle ronde) over de baan waren wederom een verschrikking door de enorme plassen die absoluut niet te ontwijken waren. Uitgeblust passeerde ik de finish, in de laatste meters nog aangemoedigd door de voorzitster van AC Waterland. Ze wist zowaar hoe ik heette, èn dat ik uit Gouda kwam, èn dat ik een topprestatie had geleverd. Toch fijn van deze dame, die tenminste begrijpt hoe gruwelijk deze tocht over deze Noord-Hollandse toendra voor een Gouwenaar moet zijn geweest.

Een luttele 16 seconden na zijn privéhaas stoomde Arranraja over de finish. Zijn 29e, en misschien wel meest markante, editie van de Twiskemolenloop was voltooid. Hij kon trots op zichzelf zijn. De Brabantse vrienden en vriendin kwamen ook één voor één over de eindstreep, allemaal meer uitgewoond dan één carnavalsnacht kan veroorzaken. Gezellig keuvelend met onze medelijders kwamen we tot de conclusie dat we allemaal een buitengewone prestatie hadden geleverd onder deze barre omstandigheden. En toen kwam de verrassing: Arranraja had zonder dat ik het merkte een fraaie medaille voor mij aangeschaft, en hij hing deze plechtig, en onder dankzegging, om mijn ranke hals. Wat een mooie apotheose van een bijzondere hardloopdag.

Uitlopen was er dit keer niet bij. In de kleedkamer werd in stilte omgekleed, zo zeer was iedereen nog onder de indruk van wat er zojuist was gebeurd. In de kantine van AC Waterland kwamen wij met een kop koffie en een broodje weer op verhaal. Gebroederlijk keuvelend liepen Arranraja en ik even later naar de auto terug, tevreden over deze alweer vijfde Succesvolle Samenloop. Een jubileum, jawel! Op naar de 10 dus, waaronder hopelijk ook een Twiskemolenloop onder betere weersomstandigheden. Dan kunnen we vast ook wat beter van dit prachtige veenplassengebied genieten, daar ten noorden van onze hoofdstad. Dit succesverhaal krijgt dus zeker een vervolg.

Voldaan reden wij zingend en swingend terug naar Diemen, waar ik exact één minuut voor vertrek van de boemel uit de auto werd gegooid. Met nog een laatste krachtsinspanning stormde ik het treintje binnen, waarna ik mij uitgeput richting Amsterdam Centraal liet vervoeren. Daar aangekomen trakteerde ik mijzelf op een patatje pindasaus, een guilty and unhidden pleasure. De rest van de terugreis verliep in alle rust. Mediterend in de stoptrein naar Gouda bedacht ik mij dat het wel behoorlijk heftig was geweest vandaag. Maar goed, je voelt wèl dat je leeft. En je doet het wèl voor je plezier.

Een Vrolijke Struin door Bos en Duin (2 reacties)

Gepost door Peter de Haan op woensdag 24 april 2019 00:49

Twee jaar geleden stond de vermaarde Groet uit Schoorl Run ook al prominent ingekleurd in mijn hardloopagenda. Dankzij een vlaag van volledige verstandsverbijstering had ik mij in de herfst van 2016 ingeschreven voor de grootste afstand die dit festijn kent. Een afstand van dertig (zegge: 30) kilometer, ja U leest het goed. In the aftermath van mijn eerste marathon, gelopen op 22 mei 2016 in Leiden, had ik tijdenlang het gevoel (zeg maar gerust: het waanbeeld) over superkrachten te beschikken. Ik waande mij onverslaanbaar, als ware ik een kind dat als kind in een ketel met toverdrank was gevallen. Geen berg was te hoog, geen zee was te diep, geen eind was te ver. In werkelijkheid liep ik gedurende de maanden na de marathon langzaam leeg qua motivatie en conditie, maar dat had ik toen nog niet door.

Het behoeft geen betoog dat die belachelijke 30 kilometer in februari 2017 na ampele overweging uit de agenda werd geknikkerd. Ik had er wèl grenzenloos de smoor over in: this was so very much unlike me. Maar het bleef niet bij deze loop. Ook door de CPC, de maand erna, werd uit arren moede een dikke streep gezet. Maanden lang kostte het mij om enigszins de motivatie te hervinden. In het artikel van mijn hand getiteld ‘Over Corry, Lornah en Corry’ kunt U één en ander nog eens rustig nalezen, zo U daar behoefte aan heeft.

Mijn behoefte aan een loop in het fraaie bos- en duingebied van Schoorl bleef evenwel bestaan, zij het sluimerend. Helemaal aan het begin van februari van dit jaar kreeg ik echter opeens een onbedwingbare aandrang om die vermaledijde Noordhollandse loop te verhapstukken (bron: Arranraja). Op zondag 10 februari 2019 moest het dan maar gaan gebeuren. De voorinschrijving was reeds maanden gesloten, dus moest ik in allerijl mijn toevlucht zoeken tot de startbewijshulp.nl site, waarop men aangeschafte startnummers kan kopen en verkopen. Ik kende die site allang, immers mijn startbewijs voor die 30km-loop van twee jaar geleden had ik op dat platform ook verpatst. Met dank aan Annelies, die vervolgens mijn PR op de 30km buitengewoon scherp stelde. Much obliged!

Tot mijn onuitsprekelijke vreugde bood ene Marcel uit Leiden zijn startnummer voor de 10km-beproeving in Schoorl aan, inclusief pendelbusticket vanuit Alkmaar. Want auto’s zouden er in Schoorl niet rijden die dag. Iedereen moest vanaf het station of vanaf de parkeerplaats van Hogeschool Inholland door een touringcar worden opgepikt en na afloop van de race aldaar weer gedropt.

De koop was snel beslecht: Marcel blij, ik blij, wij allemaal blij. Diezelfde avond nog - het was inmiddels de woensdag vóór het evenement -zocht ik Marcel op in zijn stulp in de Stevenshofbuurt en veranderde het ticket van eigenaar. Er stond helaas wel ‘Marcel’ op het startnummer (dat heb je zo), maar ach daar zouden mijn lieftallige vrouw en ik met behulp van tape en permanent marker wel verandering in brengen.

Daags voor het evenement raffelde ik nog een rustige GR-training af op de Goudse Geluidswal. Met een beetje fantasie kon je die training zelfs wel als een heuvelachtige voorbereiding voor ‘Schoorl’ beschouwen. Uw Goudse Tobatleet was er weer he-le-maal klaar voor. Mijn ambitie was simpel: sneller gaan dan vorige week tijdens de Groenhovenloop, maar no pressure. Gewoon genieten in mijn geboorteprovincie was eigenlijk wel het belangrijkste doel. Het weer zou niet geweldig zijn: er was harde wind voorspeld en veel, héél veel regen. Gelukkig ben ik een all-weatherloper: ik vind het altijd wat vervelend als je in de zeikregen in een startvak loopt te kleumen, maar regent het tijdens de loop dan heb ik daar absoluut geen last van. Daarbij: je moet alles in het leven nemen zoals het zich voordoet; en ook moet je je nooit druk maken over dingen waar je zelf niets aan kan veranderen. Tot zover mijn tegeltjeswijsheden voor vandaag.

Voor dag en dauw op die zondagochtend werd ik wakker, deed een plas, stond op, en dacht......‘hmmm dat had andersom gemoeten’. Met dank aan Herman Finkers. Na een heerlijk hardlopersontbijt en een grote verkleedpartij toog ik – nog steeds in de vroege ochtend – naar het prachtige Goudse stationnetje. Wie ooit eens in Gouda komt moet vooral niet nalaten eens goed naar dat Meesterwerk van Afzichtelijke Architectuur te kijken. Als dat nog niet genoeg schrik heeft aangejaagd kan men de weg door een al even afzichtelijke straat (het Vredebest) vervolgen richting het pittoreske centrum (dat moet gezegd) met dat schitterende Gotische Stadhuis op de triangelvormige Markt.

Maar dat allemaal terzijde. Ik had gedacht de eerste etappe van Gouda naar Amsterdam Centraal mediterend door te brengen. Immers: het hoofd moet vlak voor zo’n belangrijke wedstrijd wèl helemaal leeggemaakt worden. Maar op het eerstvolgende station, dat van Gouda Goverwelle, werd ferm een streep door die rekening gezet. Een enorme kudde kinderen met begeleiding nam bezit van mijn tot dat moment rustige treincoupé. Al snel begreep ik dat de meute ook helemaal naar Amsterdam Centraal moest om een bezoek aan Nemo te gaan brengen. Grmmmmmmpfff – tja dan maar de oortjes in om te proberen dat opgewonden en uitgelaten gekrijs te verdringen. Normaal wil ik op dat tijdstip wat rustigs horen, maar ditmaal moest de trash-metal playlist van Spotify op om het kinderjolijt te overstemmen. Het was niet anders. In staande trilling en hevig verontrust arriveerde ik na een klein uur op het hoofdstedelijke Gare Centrale.

Bevrijd van dat kindergespuis kon ik gelukkig snel overstappen op een Intercity naar Alkmaar. Deze trein was al aardig gevuld met hardlopers die het bos en de duinen bij Schoorl zouden trotseren. Zonder veel troubles tijdens de rit te hebben gehad landde ik veilig op Alkmaar. Er was vooralsnog geen vertraging opgelopen, dus van mijn ruime slack was nog niets verbruikt. De meeste arriverende lopers konden meteen in een touringcar stappen richting Schoorl. Ik had van Marcel echter een pendelbuskaart gekregen vanaf Hogeschool Inholland. Daar moest ik dus eerst naar toe – en ik spoedde mij naar het busstation van waar ik een reguliere bus ging pakken naar het onderwijsgebouw.

Op weg naar het busplatform werd ik aangesproken door een vrouw van ongeveer mijn leeftijd, die op mij tamelijk onzeker en verward overkwam. Ze was sober maar statig gekleed, en had een bosje bloemen in haar linker- en een uitpuilende tas in haar rechterhand. Ze moest, zo zei zij, naar een begraafplaats, maar eigenlijk wist ze niet welke. Het ging om het graf van een goede vriendin van haar. En ze was maar liefst uit Kerkrade gekomen die dag. Mijn schrandere telefoon gaf wel vier begraafplaatsen aan in het gebied tussen Alkmaar en Bergen aan Zee, maar geen van de namen van die kerkhoven deed bij haar een belletje rinkelen. Ook verscheidene buschauffeurs werden door haar om raad gevraagd, maar uiteraard kon geen van hen haar aan een adequaat antwoord helpen. Op goed geluk nam zij dan maar plaats in mijn bus, die volgens de chauffeur in ieder geval langs een begraafplaats zou gaan. Vijf minuten lang praatten zij en ik over de wonderen van het leven en de dood – en toen moest ik de bus alweer verlaten bij Hogeschool Inholland. Ik wenste haar het allerbeste, ze keek nog even wanhopig vanuit de bus naar mij alsof ze wilde aangeven dat zij al haar hoop op mij had gevestigd, en dat dat nu allemaal vergeefs bleek te zijn geweest. Nu ik dit schrijf, bijna drie maanden later, bedenk ik mij: is zij ooit aangekomen waar zij hoopte aan te komen? En hoe is het haar verder vergaan? Heeft ze ooit weer de weg terug naar Kerkrade gevonden?

Zelf had ik geluk. Er stond een halfvolle (halflege?) touringcar voor mij klaar waarin ik mij behaaglijk kon nestelen samen met mijn goed gevulde sporttas. Rap vulde het vehikel zich, en binnen tien minuten waren we op weg naar het Schilderachtige Schoorl. Ook de route er naartoe was schilderachtig: door de grote hoogteverschillen langs de Boswachterij Schoorl had ik even het gevoel in de Ardennen te zijn. Na een adembenemende tocht langs kliffen en ravijnen zette de buschauffeuse ons veilig af op een parkeerterreintje bij het dorp. Van daaruit moesten wij anderhalve kilometer lopen naar het finishgebied van de Groet uit Schoorl Run in het dorpje Catrijp, waar ook de grote sporthal stond waar de omkleedpartijen konden plaatsvinden en de bagage kon worden afgegeven.

Doordat alles op rolletjes was gelopen was ik reeds twee uur van tevoren ter plekke bij Sporthal de Blinkerd. Maar er gebeurde genoeg te zelfder plekke. Grote drommen lopers, die al vroeg in de ochtend aan hun 30- en 21.1km beproevingen waren begonnen, vonden hier uiteindelijk de verlossende finishboog. Omdat collega-Goudse Runner Ad had aangekondigd hier de halve marathon te gaan lopen, keek ik (min of meer) reikhalzend uit naar zijn aankomst. Maar van Ad was en bleef niets te bekennen. Later bleek dat hij het te elfder ure had laten afweten zonder dit mij te melden. We hebben het inmiddels uitgepraat.

Nadat ik het gespeur naar Ad te langen leste had opgegeven, toog ik weer naar De Blinkerd om mij om te kleden en mij voor te bereiden op mijn eigen spektakel. Het was inmiddels gigantisch druk geworden in de sporthal, allemaal van die frisse 10km-lopers en van die ranzige uitgewoonde halve marathonners en 30-kilometeraars. Tezamen met al hun supporters zorgden zij voor een atmosfeer waarin mijn claustrofobie goed kon gedijen. Zo snel als ik kon trok ik mijn buitenste laagjes uit, propte die in mijn tas, leverde die in en worstelde mij een weg naar buiten, de vrijheid tegemoet. Godzijdank.

Achter de sporthal nam ik nog even de tijd om wat in te lopen – je zou het toch zomaar vergeten. Na nog een laatste bezoek aan een gruwelijk volle en stinkende kruiskopdixi - je hebt geen keus op zo'n moment - was het tijd om de lange wandeling te aanvaarden naar de startvakken in Schoorl. Dit gewapend met nog een banaantje en een flesje water. Het was koud en er stond een stevige bries, maar gelukkig viel er geen regen op dat moment. Zo’n kwartier van tevoren arriveerde ik in het aan mij toegewezen startvak – en als je daar dan stil moet staan (want vol) dan ga je het toch wel serieus koud krijgen. Dan zit er maar één ding op: de kou meditatief aan een haakje weghangen. Al mediterend doodde ik de tijd die mij restte tot de start, en voor ik er erg in had werd ik met mijn lotgenoten weggeschoten voor mijn tocht over 10 kilometer door bos en duin.

De eerste twee kilometers door Schoorl benutte ik door voor mijzelf een fatsoenlijk, maar niet al te hoog tempo te kiezen. Ditmaal zonder gebruikmaking van paardenstaarten van wat voor kleur dan ook. Ik had het al snel (te) warm; ik kon dat zo één-twee-drie niet aan mijn kledingkeuze wijten, maar het is iets wat mij zolangzamerhand structureel gaat overkomen. Ik moet altijd even door die fase heen. Toen ik eindelijk een beetje op fatsoenlijke temperatuur was, en het dus niet meer zo warm had, begonnen direct de verschrikkingen die horen bij een bos- en duinloop. Het parcours ging in kilometer 3 flink omhoog – en er moest dus hard gewerkt worden door alle atleten en atletes. Zelf kan ik zo’n heuvelachtig parcours altijd wel goed verteren, maar ook ik was blij dat de stijging op een gegeven moment ophield. Heel af en toe regende het, maar dat mocht eigenlijk geen naam hebben.

Intussen had ik een hardloopstelletje gevonden dat het zichtbaar èn hoorbaar prettig vond om door mij gehaasd te worden. En wie mijn verhaaltjes goed heeft onthouden weet dat dat genoegen geheel wederzijds is. Gedrieën buffelden wij kilometer na kilometer weg door het fraaie bos en het al even fraaie duin. Na 6.5 kilometer besloot ik wat extra gas te geven, en daar hadden zij helaas niet van terug. Inmiddels alleen lopend arriveerde ik bij een markant punt in de route: een scherpe draai, een paar honderd meter rechtuit richting de kust, gevolgd door een ferme 180-gradendraai. Een hele rare slinger in de vorm van een Pinokkio-neus, maar dan wel een Pinokkio die liegt dat ie barst. Wel was het een goede gelegenheid om het peloton eens goed te monsteren: diegenen die een eind voor mij liepen kon ik op een gegeven moment weer op mij af zien lopen. En datzelfde gold uiteraard ook voor diegenen die een eind achter mij liepen. Als je al het gevoel had daar alleen te lopen in het duingebied: dat werd hier direct gelogenstraft.

Na dit gekke kabouterslurfje in het parcours was het nog even drie kilometer doorrammen via de dorpjes Hargen en Groet richting de finish in Catrijp. Ik voelde mij behoorlijk sterk voor mijn doen. De techniek was goed, het soepel ademen werd vergemakkelijkt door de frisse zuurstofrijke lucht. Het tempo van de laatste vijf kilometer was beduidend hoger geweest dan dat van de eerste vijf kilometer. Voor de liefhebbers: 29:00 om 27:51. Op het gemak draaide ik op 300 meter de weg op richting het finishvod nabij Sporthal De Blinkerd. Daar passeerde ik de eindstreep in 56:51. Missie geslaagd, want ik was 33 seconden sneller geweest dan bij de Groenhovenloop van de week ervoor. Maar belangrijker dan dat: ik kon terugzien op een buitengewoon leuke loop in een buitengewoon mooi gebied. Het inspireerde mij enorm. Als ik groot ben wil ik daar ook nog eens een halve marathon voltooien. Enfin, de tijd zal het leren. Eerst maar eens een 16.1km Twiskemolenloopje met Arranraja verhapstukken, dan zien we daarna wel weer verder!

Gewoonweg Gezellig Gouds Genieten bij de Groenhovenloop (2 reacties)

Gepost door Peter de Haan op maandag 22 april 2019 21:01
Beste lezertjes, wees gegroet vanuit het fanatiek Christelijke Gouda op deze Tweede Paasdag! Na ellenlang wachten Uwerzijds is hier dan mijn eerste hardloopverhaaltje van 2019. Door drukke werkzaamheden, gecombineerd met de nodige schrijverspassiviteit, mocht U een viertal maanden niets van mij vernemen op dit platform. Voor mijn trouwe fans: mijn oprechte excuses. Voor mijn trouwe criticasters: heel graag gedaan. Maar er werd ondertussen wel gewoon doorgelopen door Uw Goudse Tobatleet. Achtereenvolgens werden op mijn kerfstok aangebracht:
  • op 3 februari de 10km Groenhovenloop
  • op 10 februari de 10km Groet uit Schoorl Run
  • op 3 maart de 16.1km Twiskemolenloop (co-starring Arranraja!)
  • op 16 maart de 15km Reeuwijkse Plassenloop
  • en op 31 maart de 21.1km Zandvoort Circuit Run.

Er ontstond derhalve een backlog/stuwmeer van vijf verhalen (immers: vijf loopjes). In de komende korte periode zal ik trachten om dit stuwmeer succesvol leeg te hozen en U weer het nodige leesplezier te bezorgen. Of misschien juist leesergernis, maar dat doet U Uzelf aan. Laat ik het voor mijn eigen gemoedsrust maar bij het eerste houden. In de komende tijd zal er een hoogfrequente release van verhaaltjes komen – hopelijk raakt U niet overvoerd, maar enfin de tijd zal het leren. We beginnen hier dus met het relaas van mijn eerste loop van 2019: de Groenhovenloop.

Dit betoog zal ik echter aanvangen met een paragraafje over de Goudse Runners. Dat hebben ze zo langzamerhand wel verdiend vind ik. Diegenen die al die jaren de moeite hebben genomen mijn verhaaltjes te lezen weten het: het gaat hier om de loopgroep in Gouda waaraan ik 6.5 jaar geleden mijn hardloophart verpand heb. Dat ging overigens niet zomaar. De eerste keer dat ik er op een grauwe zaterdagochtend mijn opwachting maakte (we spreken hier over 20 oktober in het jaar des Heeren 2012) had ik een nog wat onbestemd gevoel. Ik kende er niemand, ik wist dus ook niet wat het niveau van deze groep zou zijn, en of de mensen mijn markante edoch sociabele persoonlijkheid wel zouden kunnen waarderen. Allemaal vraagtekens dus.

Zoals genoegzaam bekend bestaat een degelijke hardlooptraining (en dus óók die van de Goudse Runners) uit een vijftal onderdelen. In de eerste plaats heb je de warming up, een combinatie van inlooprondjes en dynamische oefeningen om de boel lekker los te krijgen. Zo net uit je nest op de zaterdagochtend is dit geen sinecure, maar een ieder slaat zich er man- dan wel vrouwmoedig doorheen. Warmgeworden ondergaat de atleet dan het tweede onderdeel: de loopscholing.
Loopscholing is een trainingsvorm die tot doel heeft om de looptechniek efficiënter te maken. Het doel is het verbeteren van de coördinatie, en bewustwording van de verschillende momenten in de looppas. Ze nemen als onderdeel van de totale training zo’n 10-15 minuten in beslag.

Verschillende loopoefeningen zorgen samen voor een optimale looptechniek, waardoor de kans op blessures kan worden verkleind, het vermogen efficiënter wordt toegepast, en de loopsnelheid wordt verhoogd. Deze oefeningen kunnen onder andere zijn:
  • Huppelpasjes en kaatspasjes (jawel!)
  • Triplings (lichte kniehef met overdreven voetafwikkeling, wel armen meenemen graag)
  • Aanslagpasjes (waarbij het onderbeen uitzwaait). Omdat het woord ‘aanslag’ wat lading kan hebben is laatstelijk bij de ledenvergadering het woord ‘slagpasjes’ voorgesteld
  • Pendelpasjes (hoge kniehef gecombineerd met hakkenbil, met romphouding rechtop)
  • Steigerungen (korte series hevige versnellingen). Dit is bij mij het onderdeel waar het gevaar op blessures op de loer ligt. Meermalen gedurende de afgelopen jaren is het mij daarbij in lies, kuit dan wel hamstring geschoten, dus ik pas hier altijd graag een beetje op

Het derde onderdeel is de zogenaamde loopkern. Loopkernen verschillen per training, maar bestaan meestal uit verschillende intervallen met allerlei tempowisselingen. Iedere atleet werkt de loopkern op zijn/haar eigen niveau af. Bij de Goudse Runners is wat die niveaus aangaat het ganse spectrum voorhanden. Er zijn bij ons geen groepen op sterkte, m.a.w. groepen met lopers van ongeveer gelijk niveau. Dit betekent onder andere dat er tijdens de loopkern altijd een centraal punt moet zijn zodat men nog een beetje bij elkaar blijft. Anders wordt het zo ongezellig. Door het lopen van rondes, lussen of heen-en-weertjes komt men telkens weer op het centrale punt terug, waar de trainer de meute staat te monsteren, en voor een ieder een goed- dan wel afkeurend woord heeft.

Na de vaak intensieve loopkern volgt onderdeel vier: de cooling down, een serie statische stretch-oefeningen. De cooling-down is onder andere bedoeld om het lichaam weer rustig te laten wennen aan het normale ritme, het voorkomen van blessures, het verlagen van een eventuele hoge hartslag en het verminderen van de verzuring in de spieren. Afsluiter van de cooling-down is steevast ‘het ooievaartje’ waarbij met de volle hand het enkelgewricht gepakt wordt en de hak naar de bil wordt gebracht. Natuurlijk hebben we het hier wel over de de hak van hetzelfde been als dat van het enkelgewricht. Want anders ontstaan er ongelukken. Deze oefening wordt herhaald met gebruikmaking van (de onderdelen van) het andere been.

Tot zover deze gortdroge, bijna wetenschappelijke kost. Het vijfde, laatste en meest belangrijke onderdeel is de afterparty. Deze duurt bij de Goudse Runners soms langer dan de vier voorafgaande onderdelen, en schenkt in veel gevallen de meeste voldoening. Hier worden, dikwijls onder het genot van koffie en een enkele Goudse stroopwafel, de voorafgaande schermutselingen feilloos kapot geanalyseerd.

Maar waarom vertel ik dit allemaal? Wel, ik memoreerde aan het begin van dit kletsverhaaltje de vraagtekens die ik had bij mijn entree op de zaterdagochtend bij de Goudse Runners. Diezelfde vraagtekens werden bij de eerste de beste training omgezet in één groot uitroepteken. Wat gebeurde er namelijk? Vlak na de warming up sprak trainer Rob de wat badinerende en paternaliserende woorden ‘En dan is het nu tijd voor de loopscholing, wie van jullie weet nog waarom we dat ook alweer doen?’ Even was het stil – en juist op het moment dat ik een gruwelijk serieus antwoord wilde geven hoorde ik van schuin achter mij de legendarische woorden ‘Om de tijd te doden’.
Wim, thanks a million! Jij hebt destijds in één keer mijn schroomvalligheid weggenomen – en dankzij jou ben ik een heuse Goudse Runner geworden en dat tot op de dag van vandaag gebleven.

Na het voltooien van alweer mijn derde Rotterdamsche Bruggenloop – afgelopen december – ging de wedstrijdgeest voor een tijdje uit de fles. Of: de geest uit de wedstrijdfles, zo U wilt. Zo goed en zo kwaad als het kon werd er (door mij) stug doorgetraind bij de Goudse Runners. Dit gebeurde in ieder geval op de zaterdagochtend, en in een enkel geval op de dinsdagavond of de vrijdagochtend. Op 13 januari beleefden wij weer het jaarlijkse feestje van de Goudse Runners: de HAWA-loop waarover ik al in eerdere kletsverhaaltjes vol enthousiasme berichtte. Dertien mooie kilometers lang hobbelden wij in een rustig doch gestaag tempo achter GR-opperhoofd Hans aan. Het festijn start zoals gebruikelijk bij de Goudse kinderboerderij, en voltrekt zich in het gebied rondom Reeuwijk-dorp. Na afloop vierden wij op de kinderboerderij de verjaardag van Hans op traditioneel ludieke en onvergetelijke wijze – zoals alleen Goudse Runners dat kunnen. Overigens: nog steeds is de kinderboerderij niet genegen de naam ‘dierenboerderij’ te voeren, ondanks dat ik ze er herhaaldelijk op heb gewezen dat op de boerderij geen kinderen gehouden worden. Dat laatste zou mij overigens als Terre des Hommes-employee grenzenloos tegen de hanenborst zijn gestoten.

Op zondag 3 februari gingen volgens goed gebruik de wedstrijdschoentjes weer uit het vet. De openingskraker van het Nieuwe Jaar is zoals altijd de Groenhovenloop, een thuiswedstrijd met start en finish in het pittoreske atletiekstadion van Antilopen Vereniging Gouda. Bij deze gelegenheid ging ik – zo had ik met mijzelf afgesproken - de 10 kilometer verhapstukken (bron: Arranraja). Daags voor dit spektakel had ik met mijn zaterdagochtendgroep nog een loodzware training afgewerkt in de stromende regen. Hopelijk had ik niet te veel van mijn tere gestel gevergd, enfin we zouden het wel zien.

Godzijdank had het weer overnight een enorme omslag gemaakt. Op de wedstrijdochtend scheen een vrolijk zonnetje, de vaandels wapperden op de atletiekbaan vrolijk in het rond en er waren louter vrolijke hardlopers en supporters te bekennen. Wel was het zoals gebruikelijk onbarmhartig druk in de kleine kantine – en daar moest ik nou juist zijn om mijn startnummer te bemachtigen. Na wat geduw en geknok in de drukte stond ik uiteindelijk achter het juiste tafeltje en kon ik de gewenste aanschaf doen bij één van de dienstdoende vrijwilligsters.

Nu moest echter nog het startnummer op het shirt geschroefd worden. In de kleedkamers was het daar veel te druk voor, en buiten stond er te veel wind om succesvol bezig te zijn. Dus moest het in de overvolle en knetterdrukke kantine gebeuren. Gelukkig was de redding nabij: er stond een aantal lage stoeltjes en tafeltjes met tekenvellen en kleurpotloden voor al die jeugdigen die niet gingen hardlopen. Met een routineus gebaar veegde ik al het tekenmateriaal van de tafeltjes, legde mijn shirt er op en ving het noodzakelijke speldwerk aan. Dit leverde mij wel wat ontroostbare kinderzieltjes en woedende ouderblikken op, maar ja: het doel heiligt de middelen, toch? Daarbij: kinderen moeten al vroeg in hun jonge leven hard en weerbaar gemaakt worden. Anders worden zij week en beïnvloedbaar.

Gelukkig was er na al dit gekrakeel nog voldoende tijd over om mij fatsoenlijk om te kleden, de noodzakelijke doping toe te dienen en wat inloopronden over de fraaie atletiekbaan te volbrengen. Vele Goudse Runners hadden – zo zag ik – ook hun weg naar deze Groenhovenloop gevonden. Het was een feest der herkenning en blijmoedige begroeting. Met trouwe zaterdagklant Nico deed ik nog een extra inlooprondje, en samen spoedden wij ons naar het startvak. Om klokslag vijftien minuten over twaalf werd de meute weggeschoten voor een fraaie zonovergoten wedstrijdloop over 10 kilometer.

Nico had de laatste maanden wat stugger doorgetraind dan ik – en hij koos dan ook snel het hazenpad. Als ik in zijn spoor zou blijven zou ik mij binnen de kortste keren opblazen, en dat was vandaag niet mijn bedoeling. Ik koos een tempo waarbij ik redelijk goed op techniek kon blijven lopen. Mijn haas voor de eerste kilometers was trainster Thea, zo had ik bedacht. Maar na ongeveer één kilometer volgde de deceptie: zij sloeg een andere richting uit, die van de 5km-lopers. Nom de Dieu! L‘histoire se repetait: in de zomer van afgelopen jaar was ik ook al in zo’n val getrapt tijdens de Midzomerloop in Leiderdorp. Daar waande ik mij ook geborgen achter de ranke rug van een renster, maar ook zij sloeg toen onverwachts af voor een kortere afstand. Een ezel stoot zich in ’t gemeen, niet tweemaal aan dezelfde steen. Maar ik wel dus – leren zal ik het nooit.

“Dan maar snel een nieuw slachtoffer vinden” waren mijn eerste gedachten. Al gauw had ik een roodharige paardenstaart in het vizier, met prachtige bloementafereeltjes op haar driekwart looptights. Rap maar beheerst liep ik het gat dicht dat mij van haar scheidde. Met deze ginger zou ik de komende kilometers doorkomen, zo luidde mijn vernieuwde strijdplan.

Na 2.5 kilometer staken wij de Bloemendaalse Weg (de rechtstreekse weg naar Reeuwijk-Dorp) over. Daar stond, op zijn rolski’s, het eerder gememoreerde GR-opperhoofd Hans. Meewarig keek hij naar mijn wat amechtige gezeul in het kielzog van de bloemetjesbroek. Het was voor mij nu zaak om siberisch te blijven onder deze be- en veroordelende blik. We moesten tenslotte nog heel wat kilometertjes wegbuffelen. Een complicerende factor bij dit alles werd gevormd door een loper met een dikke grijze wollen muts, die heel onregelmatig telkens voorbij ons liep om zich vervolgens weer door ons te laten inhalen. Hierbij kwam mijn veeljarige hardloopervaring van pas: we moesten onszelf niet laten verleden tot al even onregelmatig lopen. Dan blaas je jezelf ook op voordat je er erg in hebt. Dat wilde ik vooral mijn gebloemde metgezellin niet aandoen.

Na drie kilometer passeerden wij de op dat moment wandelende dinsdagavondloper Paul, die het zichtbaar en hoorbaar niet naar zijn zin had. Bij het zien van ons nam hij weer de hardlooppas aan en trachtte hij verwoed en krampachtig in ons spoor te blijven, Even later hoorden wij achter ons echter de welbekende geluiden van ineenstorting – we hebben hem pas veel later aan de finish terug gezien. Jammer maar helaas voor Paul: dit was blijkbaar zijn dag niet.

Het stuk over de Middelburgweg – in de richting van Boskoop – werd door het bloemenmeisje en mij in een keurig strak tempo afgewerkt. Net na de drankpost op 5km slaat het peloton dan rechtsaf richting downtown Reeuwijk-Dorp. Hier, op een vreemd genoeg ietwat glooiende weg, vertoonde mijn compagnonne de eerste tekenen van verval. Nog voor het centrum moest zij lossen – achteraf bleek dat zij in de laatste kilometers vele minuten had verspeeld.

Een nieuwe paardenstaart was al rap gevonden, zij het dat de kleur ervan was veranderd van ginger in helblond. Maar eigenlijk had ik niet zoveel aandacht voor deze hardloopster. Zij trachtte in mijn spoor te blijven, maar ik keek alweer verder vooruit. Daar, een meter of honderd vóór mij, liepen Goudse Runner Mat en AV Gouda atleet Trudie. Het was duidelijk te zien dat Mat nog goede benen had, terwijl Trudie juist op haar laatste benen liep. Mat bij- en inhalen zou moeilijk worden, maar Trudie (BTW half zo groot als ik) was zo te zien een haalbaar doelwit. Er op af dus!

Soepeltjes ontdeed ik mij van de blondine en snelde ik op Trudie af. Op kilometer 8 was ik op haar neergestreken, en maande ik haar om in mijn spoor te blijven. Dat lukte wonderwel, en op kilometer 9 draafde zij weer wat van mij weg door toedoen van een hongerklopje mijnerzijds. Potjandozie, alweer die voedselschuld die mij al meerdere malen parten had gespeeld in voorgaande lopen. Even moest ik temporiseren, maar spoedig herpakte ik mij en stoomde weer op Trudie af, die haar voorsprong op mij verwoed verdedigde.

Bij het betreden van het atletiekstadion, daar waar Wim (‘om de tijd te doden’) mij nog hartstochtelijk aanmoedigde, had ik de dappere Trudie andermaal ingerekend. Ook stonden hier vele andere Goudse runners langs de zijlijn hun kompanen toe te juichen. Dat gold ook voor de Vijf Vrouwen die mij destijds in Waddinxveen als een held hadden binnengehaald na mijn loodzware 15km-loop. Nu gaf ik, met de finishboog in zicht, nog een dot extra gas. Trudie kraakte, piepte, knarste en loste definitief. Bevrijd snelde ik over de baan naar de verlossende eindstreep, die ik passeerde in een matige tijd van 57:24. Ach ja, matig, het representeert simpelweg de vorm waarin ik anno 3 februari 2019 verkeerde.

Direct na de finish begon ik te doen wat ook de andere Goudse Runners deden: mijn collegalopers over de finish heen supporteren. Dit al lurkend aan een waterflesje en al smakkend op een halve banaan en een partje sinaasappel. Eén voor een druppelden mijn makkers en maksters binnen, al dan niet tevreden over hun geleverde prestaties. Zelfs de dame met bloemetjestights en rode paardenstaart was content met haar inspanning, en datzelfde gold uiteindelijk ook voor GR-collega Paul, voor wie het wel een enorme marteltocht was geweest. Al met al was het een mooie zonnige hardloopdag geworden daar in Gouda en ommelanden. Een fraaie ouverture dus, en een goede training voor de 10km Groet uit Schoorl Run die een week later op het programma zou staan. In een volgend opstel meer daarover. Watch this space!

Dansen aan zee (3 reacties)

Gepost door Arranraja op donderdag 18 april 2019 19:24

Uiteraard voorzien van beeldende illustraties op https://arranraja.wordpress.com/2019/04/18/dansen-aan-zee/

Drie jaar geleden maakte ik kennis met de Zandvoort Circuitrun via het hardloopteam van mijn toenmalige werkgever. De twee jaren erna werd ik telkens uitgenodigd, ondanks het feit dat ik niet meer in dienst was van de betreffende instelling. Dit jaar bleef die invitatie uit en had ik mij er al mee verzoend niet te zullen starten in de bekende badplaats. Daarbij ging ik er voor mijn gemoedsrust tevens vanuit dat deze wat betreft deelnemersaantallen redelijk grote trimloop allang uitverkocht zou zijn. Mijn vrouw moedigde mij echter aan toch een poging te wagen, hetgeen ik vanzelfsprekend volgaarne deed. Omdat ik abonnee ben van het sponsorende hardlooptijdschrift Runner’s World, kon ik mijzelf voor de helft van het reguliere inschrijfgeld aanmelden. Want er bleek nog plek genoeg om deel te nemen. Het kostte alleen wat moeite om als vaste lezer in te schrijven, naar uiteindelijk bleek omdat ik niet het goede abonneenummer invoerde. Pas de derde getallenreeks, die ik vond in een recente afschrijving in mijn bankapp, bleek de juiste te zijn. Dit gedoe, en alle pogingen om aan te melden, zorgden er voor dat niet mijn voornaam, maar mijn initialen op de inschrijving kwamen. Toen het startnummer per post arriveerde, prijkten die letters op het papiertje daar waar mijn roepnaam had moeten staan. Dat euvel loste ik geheel naar eigen tevredenheid op. Verderop in dit relaas lees je daar meer over.

Een paar dagen later berichtte hardloopvriend Peter dat hij zich had ingeschreven voor de halve marathon, daar waar ik traditiegetrouw de 12 kilometer ging aanvallen. Aangezien hij ongeveer een uur eerder van start zou gaan, bestond er een theoretische mogelijkheid dat wij elkaar tijdens onze inspanningen zouden treffen. Op mijn 8 km- en zijn 17 kmpunt, althans dat had ik zo uitgerekend met behulp van een bepaalde veronderstelling, waar ik later nog op zal terugkomen. Het was overigens op die laatste zondag van maart tevens de afsluitende dag van de boekenweek. Dit betekende dat er gratis over het spoor gereisd kon worden, met medeneming van het boekenweekgeschenk. Acht dagen eerder was ik met- en op verzoek van mijn vrouw afgereisd naar mijn voormalige woonplaats niet ver van Zandvoort. Om in de plaatselijke boekhandel, de signeersessie van schrijver Murat Isik bij te wonen. Boekhandel Blokker is inmiddels landelijk bekend door het optreden in de pas uitgezonden tv-serie ‘Typisch Heemstede’. Hier schafte ik voor exact de vereiste minimumprijs van € 12,50 het boek ‘Buitenkant links’ over Willem van Hanegem aan. Dat was overigens ook zo’n beetje het enige boek dat ik tegenkwam dat qua prijs in aanmerking kwam om gekocht te worden. Zo veroverde ik een gratis exemplaar van een treinretourtje Zandvoort. En was ik met de 50 procents-inschrijfprijs voor de loop zelf, goedkoper uit dan het jaar ervoor, toen ik gratis mocht deelnemen maar wel de volle NS-reisprijs moest dokken.

In de voorafgaande week werd het hoog tijd om op te zoeken wat de waterstand zou zijn op het moment dat ik daadwerkelijk het strand betrad. Want het kan nogal schelen of het hoogwater is dan wel afgaand- tot ebtij. En dan gaat het met name wat betreft de zandvloer waarover de lopers zich moeten voortbewegen. Tijdens mijn debuut was het vloed, het strand relatief klein en dien-ten-gevolge extreem ploeteren door het mulle zand geblazen. De twee afleveringen daarna bleek de zee verder weg en lag er een gladde, strakke vloer waarop het zalig rennen was. Ik kwam er nu achter dat exact op het tijdstip dat ik aan de waterlijn zou komen, de allerhoogste stand bereikt werd. Dat was even een flinke dreun en spoedig daalde het besef in dat die ongeveer 2,4 kilometer over het strand ploeteren aan zee zou gaan worden. Keihard werken en afzien. Waar ik gehoopt had op zijn BLØF’s ‘dansen aan zee’, zou het derhalve ‘hobbelen aan zee’ worden. De eerder genoemde berekening die erop uitkwam dat Peter en ik elkaar misschien onderweg zouden ontmoeten, was gestoeld op de aanname dat wij vanwege het hoge water en de verplichte martelgang door het mulle zand, minstens 7 minuten per strandkilometer nodig zouden hebben. Peter keek trouwens vooral uit naar dat stuk bikkelen in de zandbak. Ik had daar al ervaring mee en zag er daarom logischerwijs nogal tegenop. Het kan echter absoluut geen kwaad om mentaal voorbereid te zijn en uit te gaan van het meest ongunstige. Wie zich voorbereidt op de oorlog, kan wellicht toch de vrede bewaren.

De trein naar de kust vanaf Amsterdam Centraal liep snel vol met hardlopers. Desondanks had ik gelukkig met gemak een zitplaats weten te veroveren. En dat terwijl ik in een treinstel stapte dat op dat moment allang vertrokken had moeten zijn, met andere woorden voor vertrek reeds een vertraging had opgelopen. Deze strandexpress arriveerde op de eindbestemming ongeveer op het tijdstip dat de trein die ik eigenlijk had willen nemen in de kustplaats had moeten aanmeren. Het bleek derhalve achteraf een goede beslissing die eerdere intercity te nemen, anders had ik mij moeten gaan haasten om tijdig op het circuit te arriveren. Nu was ik ongeveer op de geplande tijd op het racebaanterrein en kon ik alle nodige plichtplegingen rustig afwerken. Er was een gigantisch ruime inleverbalie voor de tas met droge kleren. Nadat een enthousiast jong meisje mijn zware hutkoffer had weggetild, ging ik richting de volgende paddock waar zich de doorgangen naar de start bevonden. Na wat innemen en wegbrengen en een goede opwarming, toog ik te elfder ure naar het blauwe startvak dat gereserveerd was voor de tijdschriftabonnees. Die horde bleek al te zijn opgetrokken naar de startstreep en ik moest een volgende pluk renners passeren om hem nog te bereiken. Hoofdredacteur Olivier Heimel in eigen persoon schoot ons weg en de meute denderde het circuit op.

Het klassieke 12 km-parcours valt grofweg in drie delen op te splitsen: het circuit, het strand en het dorp. Hardlopen op die brede asfaltroute tijdens deel één lijkt een peulenschil maar is dat allesbehalve. Deze roemruchte autobaan is namelijk ooit neergelegd in de duinen. Het wegdek golft daarom als een gek op en neer over de duintoppen en -dalen en het asfalt is bijna nergens echt horizontaal. Je moet dus constant klimmen en dalen en op schuinaflopend wegdek lopen. Om die reden een behoorlijk zwaar aanvangsdeel van de loop. Als het rennen op het strand bij een vlakke zandvloer meevalt, zijn deze eerste vier kilometers verreweg de zwaarste van de gehele koers. Het is dan ook de kunst om hier terughoudend te werk te gaan. Zeker als je weet dat het vloed is en je ook een loodzwaar stranddeel kunt verwachten. Gelukkig had ik bij de vorige drie gelegenheden ervaring genoeg opgedaan om het circuit beheerst te tackelen. Toch wist ik die aanvangskilometers een keurige snelheid van iets boven de 10 per uur te halen. Nummer vijf, die ons renners het circuit afleidde en naar de boulevard en het strand bracht, was iets langzamer met 9,88/uur. Ik was mij toen mentaal aan het opmaken voor deel twee, afzien aan zee.

De vrij steile strandop- en afgang eiste al mijn aandacht op. Achter mij deed zich nog het een of andere akkefietje tussen twee renners voor, waarbij de ene naar ik meen ten val kwam en de ander daar hinder van ondervond. Die tweede liet even later duidelijk blijken niet blij te zijn geweest met de actie van de eerste. Ik had tijdens mijn twee laatste trainingen de vaste voorbereidingsplek opgezocht, het ministrand in het Diemerpark. Alwaar ik in totaal 20 rondjes van 300 meter en gedeeltelijk door aardig mul zand ploeterde. Ik wist derhalve wat mij te doen stond toen ik de verharde bodem verliet en mij een weg baande naar de zeewaterlijn. Kleine en korte pasjes makend, overbrugde ik die meters mul strandzand. En wat schetste mijn verbazing? De zee was weliswaar heel dichtbij maar er lag langs de vloedlijn een prachtige, ongeveer twee meter brede, vlakke en relatief harde zandvloer. Het werd dus helemaal niet ploeteren, modderen of hobbelen aan zee! Nee, vooralsnog was het dansen langs waterlijn. De zon scheen, de lucht was grotendeels blauw en de Noordzee lag er in dat licht wonderschoon bij. Ik kon het niet nalaten om al spoedig een stop te maken, nadat ik eerst mijn zakcamera tevoorschijn had gehaald. Een paar kiekjes maakte ik van het Zandvoortse strand en dat lange lint aan lopers dat zich zo ver uitstrekte als het oog kon zien. Ongeveer halverwege herhaalde ik deze exercitie omdat de zee zodanig mooi kleurde dat dit tafereel wel op de gevoelige plaat vastgelegd moest worden. Intussen danste ik zalig voort en genoot van de plek waar ik het liefst dagelijks zou vertoeven. Graag had ik nog een derde keer haltgehouden toen ik het loperslint verderop als een zwarte slang langs de waterlijn zag kronkelen. Maar ik besloot verder te dansen, op weg naar het einde van dit tweede deel.

Het mulle zand door en de behoorlijk steile opgang naar de boulevard was mij vorig jaar uiterst zwaar gevallen. Boven gekomen was ik toen totaal kaduuk en kon ik niet anders dan dribbelend voort. Achteraf gezien had dat misschien te maken met de blindedarmontsteking waarmee ik toen rondliep en waarvan ik luttele dagen later operatief verlost zou worden. Nu kon ik aardig omhoog blijven voortdoen en was ik bovenaan niet supermoe. Vooruit, die achtste kilometer was met 6:49 minuten bij 8,8 per uur verreweg de langzaamste maar dat is logisch met de hoogtemeters die je in kort bestek voor de kiezen krijgt. Tot dan hadden wij de lichte noordoostenwind steeds in de rug. Op het zuidelijkste punt van Zandvoort en van het 12-kmparcours draaiden we terug naar het noorden en kregen we die koude bries op kop. Hier kwamen de halvemarathonlopers uit de duinen en vanzelfsprekend gaf ik mijn ogen zo goed mogelijk de kost. Maar van vriend Peter geen spoor te bekennen. De voorspoedige strandpassage had er ongetwijfeld voor gezorgd dat ík eerder ter plekke was en wellicht vóór hem de eindstreep zou gaan halen. Het kwam dan ook niet zover dat hij mij in het resterende deel nog achterhaalde.

Het korte stuk over de klinkers van de boulevard naar het centrum van de badplaats was even afzien door die koude wapper. En de doorgang tussen het casino en het tegenoverliggende gebouw was een tochtgat waar je bijna van de sokken werd geblazen. Maar ik hield stand. Mijn huisvlijt met tekstverwerker en printer bleek daarna zijn vruchten te gaan afwerpen. Ik had mijn voornaam zo groot mogelijk op het traditioneel ronde startnummer aangebracht, waardoor deze voor de omstanders makkelijker te lezen was dan van de overige deelnemers. Het scanderen van mijn naam was niet van de lucht en die talloze aanmoedigingen deden mij uiteraard heel veel goed. Kilometer nummer tien door het dorp ging dan ook wat sneller dan het voorgaande gedeelte. Hier registreerde mijn Garmin weer eens een snelheid van juist boven de 10 per uur. Het naar beneden razen van de duinrij die even later weer net zo hard beklommen moest worden, zal daar ongetwijfeld evenzeer aan bijgedragen hebben. Ook dat venijnige klimmetje aan het begin van kilometer nummer elf ging nog best vlot. Eigenlijk slaagde ik er voor mijn gevoel prima in om snelheid en ritme vast te houden. Het circuit kwam derhalve vlot in beeld. Achter een jonge renster aan, die mij eerst luidkeels aan het telefonerend passeerde, kwam ik het laatste, rechte eind van de racebaan op. Ik riep haar nog toe de adem te bewaren voor het hardlopen, maar dat was vanzelfsprekend aan dovevrouwsoren gericht. Die oren waren namelijk geheel gevuld met luidsprekertjes. Mijn horloge gaf aan dat ik heel redelijk in de tijd zat. Iedere eindtijd onder de 1:20 uur zou mij tevreden stemmen. Welnu, met nog enkele honderden meters te gaan zag ik 1:12 op mijn kleine polsscherm. Dat zou een keurige tijd gaan worden. Te elfder ure perste ik er nog een rondetijd van 5:45 minuten uit en de laatste 70 meter kwam ik zowaar tot 12,14 per uur. Mijn Garmin stond stil op 1:13:35. Later las ik in de officiële uitslag 1:14:03 en toen herinnerde ik mij op het strand tot tweemaal toe halt te hebben gehouden. Dat kostte mij alles bij elkaar dus nog geen halve minuut.

Zodra ik wat op adem was gekomen, liep ik naar een schaduwplek en diepte mijn slimme telefoon op uit het heuptasje. Ik had de app van deze run doelbewust geïnstalleerd om zo vriend Peter te kunnen volgen. Zodra ik beeld had, zag ik dat hij reeds iets van 20,7 km had afgelegd. Het kon niet anders of hij naderde de finish. Even later stond zijn tijd stil, ergo hij was over de meet gekomen. Ik spoedde mij een eindje terug richting die streep om hem op te vangen. Strategisch opgesteld schoot mijn blik van links naar rechts en weer terug om mijn makker in de gaten te krijgen. Ik zag honderden moegestreden maar opgetogen renners de revue passeren, echter Peter kwam maar niet in beeld. Op een gegeven moment werden mijn ogen en hoofd te moe van dat voortdurende heen-en-weergeflits en gaf ik er de brui aan. Wie weet kreeg ik hem op een later moment toch nog in de smiezen. Het zou tenslotte nog even duren alvorens ik het circuitterrein verliet. In de geïmproviseerde kleedruimte, waar ik mij van mijn natte lappen ontdeed, besloot ik hem te bellen. Helaas vond ik geen gehoor. Halverwege de wandeling terug naar het NS-station, ging mijn telefoon. Daar meldde Peter zich eindelijk. Hij bleek al in een voor vertrek gereedstaande trein te zitten, tezamen met maten van zijn atletiekvereniging. Ik zou het niet redden om die trein ook te nemen en als dat wel gelukt zou zijn, was deze vrijwel zeker zo afgeladen dat ik niet bij hem in de buurt zou geraken.

Dus wandelde ik in hetzelfde tempo verder. Het valt mij daar in Zandvoort op dat ik, met toch 12 zware kilometers in de benen, steevast het gros van de ‘collega’s’ voorbijstruin alsof zij stilstaan. Op het station kocht ik, net als tijdens de heenreis op A’dam CS, een flinke tas koffie. Daarbij had ik de mazzel dat de kiosk net helemaal leeg was. Dat kon niet gezegd worden van het treinstel waarin ik stapte. Op het allervoorste balkon was nog juist plaats voor mijn hutkoffer en voor mijzelf. Maar het werd wel een staande receptie. Ondanks de vele duizenden stappen die mijn onderdanen die dag al hadden moeten zetten, hielden ze mij nog verrassend makkelijk overeind. Met een paar directe omstanders (géén renners overigens) werd het tijdens het lange wachten tot de trein eindelijk vertrok, nog bar gezellig. Wij fungeerden als een soort poortwachters, zo je wilt uitsmijters, die mondjesmaat nog mensen toelieten tot de zoals geschetst propvolle trein. Één jongeling die zich per se naar binnen wenste te wringen, omdat hij vanwege de weldra beginnende Formule-1-race met Max Verstappen snel naar huis wilde, werd door mij resoluut buiten de deur gehouden. Vol was op dat moment gewoon echt vol! Op de eerste halte, Overveen, stapten al behoorlijk veel reizigers uit en een of twee stations verder kon ik zelfs gaan zitten en mijn vermoeide lijf enige rust gunnen. Zo was ik intussen wel uitgedanst en kwam ik vermoeid maar voldaan thuis, weer een fraaie medaille en dito ervaring rijker. Die laatste inspireerde mij naderhand tot de onderstaande aanpassing van de tekst van de eerdergenoemde BLØF-hit. Waarmee ik dit relaas volgaarne wil afsluiten.

Dansen aan zee

Daar komt de trein al aan
Die brengt ons naar het strand
In een mooi stuk Nederland
Waar wij straks hollen gaan
Al achter elkaar aan
Ploeterend door het zand

Want de gebruiken van de weg
Gelden niet in dat mulle spul
Dus houd die korte pas in stand
Dan merk je dat het gaat
En houd je het wel vol
Tot je terug bent op de straat

Laten we dansen, vriendinnen
Rennen aan zee
Laten we dansen, makkers
Hollen aan zee
Een loperslint langs de waterlijn
Sjezen aan zee
Eén over de racebaan
Twee langs het water
Drie door het dorp weer terug
Dan snel naar de finish gaan

Wij wisten hoe het was
Rennend met verkorte pas
Door dat vreselijk mulle zand
Of bijna in het koude sop
Bij die mooie zee
Dat beeld gaat met je mee

Laten we dansen, gabbers
Rennen aan zee
Laten we dansen, kornuiten
Draven aan zee
Een loperslint langs de waterlijn
Hobbelen aan zee
Eén over de racebaan
Twee langs het water
Drie door het dorp weer terug
Dan snel naar de eindstreep gaan

Zeg dat het niet zwaar was
Eigenlijk een makkie
Zeg dat wij genoten
Aan het azuurblauwe water
Zeg dat je weer wilt
Een herinnering hebt voor later

Laten we dansen, vrienden
Rennen aan zee
Laten we dansen, kameraden
Struinen aan zee
Een loperslint langs de waterlijn
Stuiven aan zee
Eén over de racebaan
Twee langs het water
Drie door het dorp weer terug
Dan snel naar de finish gaan