Over het Deerlijk Gemis van een Persoonlijke Pitspoes

Gepost door Peter de Haan op zondag 12 mei 2019 21:49

Voorwoord: het stormachtige gebeuren in Reeuwijk had ontegenzeggelijk zijn tol geëist. De dagen na de monstertocht rondom de Surfplas stonden voor ondergetekende in het teken van het herstel. De fietstocht naar huis tegen de vliegende storm in was de spreekwoordelijke druppel geweest die de al even spreekwoordelijke emmer had doen overlopen. Steenkapot was ik. Maar misschien had ik ook wel een kleinigheidje onder de leden, wie zal het zeggen. Op diezelfde zaterdagavond, waarop doorgaans mijn lief en ik een tweetal films in het Goudse Filmhuis verhapstukken (bron: Arranraja) lag ik uitgewoond in mijn warme nestje, gevloerd door de inspanningen. En ook in de dagen daarna lag het energielevel beduidend onder Nieuw Gouds Peil. Op het Terre des Hommes hoofdkantoor in Den Haag vroeg men zich die maandag af wat ik daar in godsnaam te zoeken had. Dat overkomt mij niet vaak, naar huis gestuurd worden door mijn collega’s, en zelfs door mijn bloedeigen baas. Net alsof ze me niet motten daar. Niet dat ik naar huis ging overigens: wijd en zijd sta ik bekend om mijn koppigheid, noem het maar gerust onverantwoordelijkheid. Voor de geïnteresseerden: dit is een familietrekje door-de-eeuwen-heen.

Langzaam maar zeker knapte ik op – en dat was wel nodig ook. Twee weken later stond alweer een zware beproeving op het programma. Voor het eerst in mijn hardloopleventje had ik mij ingeschreven voor een immense uitdaging in en rondom Zandvoort. Het plaatselijke race-circuit, dat volgens snode plannen binnenkort weer plaats gaat bieden aan het Formule 1-circus, zou op 31 maart 2019 het start- en finishtoneel zijn van een sport die in een beduidend langzamer tempo wordt uitgevoerd. En ondergetekende zou naar Zandvoort afreizen om daar een halve marathon over circuit, strand en duin te gaan afwerken.

Zoals al beschreven in mijn vorige prietpraatje was de inschrijving voor – en deelname aan - Zandvoort een compensatie voor het leed dat mij was aangedaan door het niet doorgaan van de CPC. Bittere tranen had ik geweend, maar tussen de huilbuien door zinde ik op sportieve wraak. Deel één van deze revanche had ik inmiddels in Reeuwijk voltooid, en nu werd het tijd voor het laatste gedeelte van dit Tweeluik der Vergelding. Heel toepasselijk zou dit plaatsvinden in een plaats die aan zee was gelegen, zij het dat dit wel ettelijke tientallen kilometers ten noorden van Scheveningen/Den Haag was. Voor de topobeten: vanaf Scheveningen kom je, als je een duurloopje langs de kust in noordelijke richting maakt, eerst bij de Wassenaarse slag. Vervolgens draaf je naar Katwijk en naar het vijf kilometer verderop gelegen Noordwijk. Na deze iets mondainere badplaats komt er nog een lang stuk, waarbij je eerst de provinciegrens passeert en uiteindelijk in Zandvoort belandt. Van mij mag je daar stoppen en een strandpaviljoentje opzoeken: inmiddels staat je teller op zo’n 35 en heb je er zowat een hele marathon op zitten.

Zandvoort zelf is bepaald niet mondain: het doet qua lelijkheid niet onder voor de gehele Belgische kust. Daar is het al helemaal een rotzooitje, maar ook in Zandvoort heeft men in de loop der jaren talloze oerlelijke bouwwerken neergezet. Ten noorden van al dat fraais, richting Bloemendaal aan Zee en verderop de Hoogovens, ligt dan het veel geprezen en verguisde racecircuit. Geprezen vooral door de rijke Formule 1-historie, verguisd vooral door de enorme geluids- en (vroeger) stankoverlast. Dat laatste was zeker het geval als een straffe noordenwind de uitstoot van al die racemonsters richting het dorp blies. Dat sloeg dan neer op alle balkonnetjes en maakte het leven daar slecht draaglijk.

Maar nu gingen wij daar hardlopen – en onze uitstoot zou hopelijk niet al te veel ergernis opwekken bij de inheemse bevolking. Ik verheugde mij bijzonder op de uitdagingen die mij daar stonden te wachten: de driekwart ronde over het moeilijk te belopen circuit, de 8 kilometer over het strand dat vanwege het hoogwater slecht begaanbaar zou zijn, en de 9 kilometer up-and-down terug door de duinen en de tocht door het schilderachtige Zandvoort. Dat laatste klinkt wat paradoxaal, maar ook lelijke dingen zijn goed te beschilderen. Kijk maar naar de vele portretjes die mijn lief al van mij gemaakt heeft. Just kidding.

Hoe het ook zou aflopen daar in Zandvoort, het weekeinde kon sowieso al niet meer stuk. Vrijdag startte ik een heerlijke vrije dag met een GR-ochtendtraining op de baan. De Goudse Runners bestonden die dag precies 40 jaar – en dat moest uiteraard gevierd worden. Na een heel druk bevolkte estafettetraining werd het een heel gezellig samenzijn met veel drank en spijzen. Ondergetekende liet zich hierbij niet onbetuigd, en volgevreten meldde ik mij aan het eind van de ochtend bij Huize de Haan. In ons stulpje bereidden wij ons voor op het tweede gedeelte van de dag: een tripje naar Amsterdam voor een concert van gitaarvirtuoos Estas Tonne in het prachtige Carré. Geweldig was het. Ook de zaterdag was ruimschoots de moeite waard: met vrouw-, dochter- en schoonzoonlief bezocht ik het eerder gememoreerde Filmhuis voor twee prachtige vertoningen. Wij genoten met volle teugen. En we zagen dat het goed was.

Maar op de Zondag in Zandvoort moest er dan toch stevig gebikkeld gaan worden. En dat terwijl wij die nacht gestraft waren door een uur minder slaapgelegenheid, vanwege het overgaan van winter- in zomertijd. Opmerkelijk genoeg bleef ik in de boemel vanaf Gouda verstoken van het inmiddels gebruikelijk geworden zondagse kinderoproer. Alhoewel: het kan nog veel erger. Schuin tegenover mij, aan de andere kant van het gangpad, zat een (veel) ouder stel gezapig te herkauwen. Omdat zij met elkaar waarschijnlijk al lang uitgespeeld waren, schepten ze er nu genoegen in om hun gebitjes voortdurend in en uit hun mond te bewegen. Uitstoten en weer naar binnen zuigen. Ik ben echter nog veel te jong om het genoegen daarvan in te zien, niet in ethisch en ook niet in esthetisch opzicht. Dus gingen mijn oogjes dicht en de oortjes in, en onder de klanken van de Franse groep Tryo mediteerde ik over grote hardloopsuccessen terwijl het treintje ijverig voort deed.

Ter hoogte van Abcoude kwam via de NS-app tot mijn schrik opeens het bericht door dat er voorlopig geen treinen zouden rijden tussen Amsterdam en Haarlem. Dit vanwege ‘een aanrijding met een persoon’. Vreselijk natuurlijk – ik dacht er maar liever niet aan – maar nu moest er wel rap een alternatief plan uit de ladenkast getrokken worden. Al snel vogelde ik uit dat ik op Amsterdam Bijlmer ArenA een snelbus kon nemen via Amstelveen en Schiphol naar Haarlem. Dat zou mij zelfs eerder in Haarlem en Zandvoort brengen dan oorspronkelijk gepland. Aangekomen op het station, dat zijn naam deels dankt aan een naastgelegen prachtige voetbaltempel, groette ik het seniorenstel beleefd. Als antwoord kreeg ik – heel synchroon – hun twee gebitjes getoond. Onthutst verliet ik de trein en spoedde mij naar het plaatselijke busplatform. Intussen lichtte ik GR-loopmaat Nico in: hij zou iets later naar Zandvoort komen dan ik, maar ik wilde niet dat hij ‘Stuck in Amsterdam’ zou raken.

De Interliner bracht mij binnen een oogwenk naar het pittoreske Haarlem. Deze stad – en de omgeving ervan - herbergt voor mij veel jeugdherinneringen. Mijn grootouders van vader’s kant woonden in het aanpalende Overveen. En van daaruit bezocht ik de stad uiteraard dikwijls, evenals het verderop aan de kust gelegen Zandvoort. Ook de uitgestrekte Amsterdamse Waterleidingduinen kende ik op mijn duimpje. Mijn Opa oefende daar altijd voor de Apeldoornse en Nijmeegse Vierdaagse Marschen, en als kind vergezelde ik hem graag op deze looptrainingen. U ziet: ik heb het allemaal niet van een vreemde. Eén van de voor ons kinderen fijnste pleisterplaatsen in Overveen was de uitspanning Kraantje Lek, met zijn markante Holle Boom. Als kind speelde ik daar in de duinen zo vaak met mijn neven en nichten, en zetten wij speurtochten uit die we dan vervolgens zelf liepen. Na afloop was er dan in de uitspanning steevast een glaasje ranja voor de vermoeide jonge helden.

Kraantje Lek ligt eigenlijk in de achtertuin van het Zandvoortse circuit. Vervuld van herinneringen legde ik het laatste stukje tussen Haarlem en Zandvoort af in een boemeltje dat uiteraard vol zat met hardloopatleten en -atletes. Gelukkig had ik een zitplaats bemachtigd – voor een man op leeftijd zoals ik mag dat natuurlijk ook wel. Voorlopig hoeft nog niemand in een trein, tram of bus voor mij op te staan – maar ooit zal toch het moment komen dat ik met een wat overdreven gekwelde blik de jongelui ga verleiden om hun plaats aan mij af te staan. Het opzichtig tonen van een wandelstok zal daarbij vast ook helpen, dus heb ik daarvoor alvast maar een marktonderzoek gestart. En mocht dat toch niet volstaan: dan zal ik een diepte-investering in een hulphond moeten doen ben ik bang.

Het was koud in Zandvoort, en er was een flinke wandeling af te leggen van het plaatselijke stationnetje naar het startgebied op het plaatselijke circuit. Het was weliswaar zonnig, maar er stond een gemene kille wind die mij tot op het bot verkleumde. Nico zou, zo berichtte hij mij tot mijn geruststelling, gewoon weer via Amsterdam naar Haarlem kunnen komen. Ik was door alle gebeurtenissen uiteraard extra vroeg aanwezig op het circuit. Na door een tunneltje onder de racetrack te hebben gelopen arriveerde ik op het evenemententerrein op Paddock 2 zoals dat in racekringen zo mooi heet. Ik had alle tijd om daar eens goed om mij heen te kijken. Vanaf Paddock 2 was het circuit goed te zien, en wat mij in eerste instantie opviel was dat wij arme lopers behoorlijk wat hoogteverschillen te verduren zouden krijgen. En wat nog erger was: ook in de breedterichting lag de weg er niet horizontaal bij, vooral niet in de vele bochten. Dit zou een lastig onderdeel van mijn halve marathon gaan worden, en dat was nog maar aan het begin. Ook monsterde ik het finishgedeelte: we zouden precies daar finishen waar alle race-coureurs ook hun voorwielen over de streep drukken, vlak voor het midden van de indrukwekkende grote tribune. Om de tijd te doden (bron: Wim) trakteerde ik mijzelf op een kop sterke koffie met een gevulde koek, die ik in afwachting van mijn Goudse hardloopgezel als alternatieve doping inbracht.

Een klein uurtje voor de start arriveerde Nico gelukkig ook. Zijn heenreis had verder geen obstakels gekend. Na een bezoekje aan de grote evenemententent togen wij gezamenlijk naar het eveneens op Paddock 2 gelegen omkleedgebouw. Dit was een onderhoudshal voor de racewagens, en wij snoven de olie-dampen van vele decennia op terwijl wij de korte tights omgordden. Half stoned verlieten wij het milieuonvriendelijke gebouw op zoek naar Dixiland voor een laatste sanitaire pitstop. Bevrijd en verlicht namen wij vervolgens plaats aan één van de smaakvolle tafeltjes, niet ver van de kledingafgifte. Daar lieten wij ons gewillig fotograferen door een met zorg uitgekozen volontair, een viertal foto’s voor onze respectievelijke levenspartners die uiteraard bezorgd onze tekenen van leven aan het afwachten waren. Terwijl Whatsapp verwoed bezig was om de foto’s zo snel mogelijk in Gouda te krijgen, leverden wij onze tassen in bij de vriendelijke vrijwilligers van de kledinginname.

Na een korte wandeling naar de pitsboxen begonnen Nico en ik aan onze opwarmronden. We hoefden gelukkig niet onze regenbanden om te leggen: het zou gedurende de hele race droog en zelfs zonnig blijven. Mijn kompaan deed nog wat staande ofeningen, terwijl ik mij overgaf aan een serie lichte versnellingen. Warmgeworden liepen wij uiteindelijk naar de pitsbox van waaruit onze start zou plaatsgrijpen. Wandelend door die pitsbox kwamen we nu de pitsstraat op, de plek waar normaliter banden worden vervangen en waar brandstof wordt bijgetankt. En dat alles in recordsnelheid. Nu liep daar een hardloperspeloton rond in gespannen afwachting van de start van het Zandvoortse Spektakel.

Wat mij buitengewoon tegenviel is dat er – in tegenstelling tot gebruikelijk – geen pitspoezen waren te bekennen. Voor diegenen die net onder hun steen vandaan zijn gekropen of uit Mars zijn overgevlogen: pitspoezen zijn mooie, jonge vrouwen die zich bij autoraces en motorraces ophouden bij de pits of het rennerskwartier. Vaak zijn ze woest aantrekkelijk, en wulps en uitdagend gekleed. Hun taak is het om de coureur zo veel mogelijk – maar niet al te opzichtig – te behagen in de spannende momenten vlak voor de start. Vaak hebben zij een paraplu of parasol in de hand om de renner zoveel mogelijk te beschermen tegen regen resp. zonneschijn. Het leek mij een goed gebruik om ook op deze hardloopdag te hanteren, immers: mijn allengs kalende bolletje vroeg om een liefdevol opgestoken parasolletje. Het mocht echter niet zo zijn: in de hele pits was geen poes te bekennen. Treurend om het gemis wijdden wij ons dan maar quasi-enthousiast aan de hilarische opwarmtaferelen die – helaas – wèl gebruikelijk zijn bij dit soort massale evenementen.

Met een mooie fuikstart ving voor Nico, mij en vele anderen het 21.1km hardloopavontuur van Zandvoort aan. Meteen kwam de eerste uitdaging: de roemruchte Tarzanbocht. Daar, in die spektaculaire 180-gradendraai, was het zaak om de ideale lijn te volgen en niet óf vooruit te schieten de grindbak in, óf in de binnenbocht te belanden op de kerbstones waarover het buitengewoon moeilijk lopen was. Meteen kreeg ik het veel te warm – een fenomeen dat zich bij mij de laatste jaren steeds prominenter voordoet. Na de Tarzanbocht komt er een knik in de vorm van de Gerlachbocht. Vervolgens beklimt de meute de Hunserug – een behoorlijke klim die je dus al in de eerste kilometer voor de kiezen krijgt. Een voorbode van al het zwaars dat nog komen ging. Ik kon goed zien hoe Nico zich gestaag van mij verwijderde. Zelf had ik alweer een Brabants gezelschapje te pakken, net zoals tijdens de Twiskemolenloop aan het begin van de maand. Met deze mensen, zo nam ik mij voor, zou ik het stuk over het circuit afwerken, gevolgd door nog een kilometer richting het strand.

Vlak voor het ‘aansnijden van het Scheivlak’ (de verstokte kenners horen het in hun herinnering Frans Henrichs, Hans Brian, Hans Kiviet en Jan Stekelenburg nog steeds zeggen) stak het 21.1km-peloton het circuit een enorm stuk af, en kwam het terecht op het gedeelte tussen de Renaultbocht en de AudiS-bocht. Het afsnijden van het Scheivlak dus. Mijn motor was inmiddels aan het overkoken, zo warm had ik het. Hopelijk zou de situatie aan de kust anders zijn. Wel was het jammer dat we niet het hele circuit mochten doen, enfin volgend jaar dan maar inschrijven voor de 12km, waar dat plezier wèl wordt verschaft.

Na nog enige moeizame en zware bochten, waaronder de Arie Luyendijkbocht (tweevoudig winnaar Indy 500), verliet het al behoorlijk aangeslagen peloton het circuit op weg naar de Zandvoortse boulevard en (erger) het strand voor de monsterlijke tocht door het mulle zand. Mijn Brabantse vrienden-for-the-moment had ik inmiddels achter mij gelaten en ik bereidde mij mentaal voor op de verschrikkingen die mij te wachten stonden. We zaten inmiddels op kilometer 4, en pas op kilometer 12 zou het zandhappen ten einde komen. En alsof dat allemaal nog niet voldoende was zouden er dan nog 9 helse kilometers door duin en dorp richting de finishvlag volgen.

De eerste kilometers op het strand vielen nog wel mee. Er stond wel wind, maar die speelde nauwelijks een rol van betekenis. Ik richtte mijn blik op de horizon (in de verte was Noordwijk zichtbaar) en koos een niet al te hard maar gestaag tempo. Maar daar waar na plusminus 2.5 kilometer de 12km-lopers alweer de boulevard op zouden gaan (hun start was een uur later) begon voor ons pas echt de verschrikking. Het strand werd meer en meer onbegaanbaar. Het zand was er mul en diep, en dat van het duin tot aan de waterlijn. Nou ja, waterlijn: het was in geen geval een rechte lijn, en dat maakte het er al helemaal godsonmogelijk op. Met de moed der wanhoop baande ik mij een weg door deze zandbak, soms met één of twee medelijders, maar dikwijls helemaal alleen. De hazen van 2.00 uur snelden voorbij: ik kon ze niet volgen. De hazen van 2.05 uur snelden voorbij: ik kon ze niet volgen. Vertwijfeling maakte zich van mij meester. Er was over de volle breedte van het strand geen enkel spoor te vinden dat maar enigszins soelaas bood. De Sauconietjes liepen vol met zand en water, en hun eigenaar verstookte een surplus aan energie om maar vooruit te blijven gaan. Hart en longen schreeuwden om te stoppen, de geest was echter onvermurwbaar. Er moest doorgelopen worden, anders zou ik reddeloos verloren zijn. En ook mentaal zou dat een enorme knal hebben geven die nog heel lang zou hebben doorgewerkt. En dus werd het onmenselijk lijden voortgezet. Voor mij zag ik tot zover mijn oog reikte een eindeloos lange stroom van lopers – van een duinopgang was nog geen spoor te bekennen.

Tot twee maal toe werd het peloton strandopwaarts gedreven door nog minder begaanbaar los zand. De eerste keer was dat voor de drankpost. Hier laafde ik mij overvloedig, om daarna met veel te weinig herwonnen kracht weer door te gaan met de moordende worsteling door het zachte zand. De tweede keer was het om over de 10km-mat geloodst te worden. Men wilde zeker weten dat er geen hardloopsmokkelaars een eerdere duinopgang zouden nemen, vandaar deze wrede actie. Gelaten liet ik het mij ondergaan. Daarna was er verdorie nóg twee kilometer te lijden over dat vermaledijde pokkenstrand.

Als een kudde koeien zonder oormerk banjerden wij voort door het mulle zand. Meer dood dan levend bereikte ik uiteindelijk de duinopgang, iets ten noorden van de Langevelderslag. Twaalf helse kilometers waren afgelegd, nog negen te gaan. Het hart pompte woest en de longen verrichten overwerk. De verschrikking was echter nog niet ten einde: de duinopgang was buitengewoon lang en steil, en dat door zacht zand zonder enige stevige ondergrond. Tot je knieën zakte je weg. Met de handen op de benen ploeterend ramde een ieder het hoge duin op, om vervolgens door al even mul en diep zand af te dalen richting het verlossende fietspad. Op deze Blanke Top der Duinen moet mijn hartslagmeter al helemaal uit zijn kastje zijn geslagen, zo zwaar was het.

Na aankomst op het fietspad tussen Noordwijk en Zandvoort nam ik heel even de tijd om een assessment te maken van mijn deplorable situatie. Conclusie: het was deplorabel. Schoorvoetend koos ik een laag tempo waarmee ik mij door 9 gruwelijke kilometers naar het circuit moest gaan worstelen. De tank was eigenlijk al leeg, toch moest ik in de survivalstand want opgeven zou ik nooit. Never nooit! En al zeker niet hier in dit Amsterdams Waterleidinggebied, het gebied waar Opa en ik ooit vele kilometers wandelend aflegden. Dat zou hem en mij geen eer doen. Mijn tempo was overigens al aardig richting wandeltempo gezakt, maar ik zette mijn hardlooppas onverschrokken voort. De schandalig lelijke hoogbouw van Zandvoort was in de verte te bekennen, en kwam langzaam maar onzeker nabij. Heel af en toe vond ik aansluiting in een groepje, maar geen van deze groepjes ging mij langzaam of snel genoeg. Zo werd het een behoorlijk eenzaam en lijdzaam avontuur daar in de duinen. In een duingebied gaat dat ook nog eens op en af, geen moment kon ik lekker vlak lopen. Door al dit gedonderjaag werd er nog eens extra ingeteerd op mijn vet- en eiwitreserves.

Volkomen uitgeteerd bereikte ik na 5 kilometer de zuidelijke contreien van Zandvoort. Daar, op het 17km-punt kwamen de lopers van de 12km en die van de halve marathon tezamen. Er was een zeer kleine theoretische mogelijkheid dat ik daar mijn grote hardloopvriend Arranraja zou treffen. Mijn loop- en blogmaat was immers druk bezig zijn eigen race over 12 kilometer te verhapstukken, en hij had vooraf in al zijn ijver uitgerekend dat het niet denkbeeldig was dat we elkaar daar zouden tegenkomen. Het zou mijn redding zijn geweest: onder zijn vleugels had ik die laatste 4 monsterlijke kilometers door het dorp nog in een redelijk tempo kunnen doorkomen. Eindelijk had hij voor mij de haas kunnen zijn en had hij ook eens kunnen voelen wat dat is. Maar helaas: ik had inmiddels al zoveel tijd verloren op het door hem bedachte scenario dat wij elkaar volledig misliepen. Mijn geest was nu finaal uit mijn fles.

Mistroostig en totaal uitgewoond vervolgde ik mijn lijdensweg richting de Grote Verlossing. Enige tijd kon ik aanklampen bij een collega halve marathonner, voor wie het voorafgaande ook iets teveel was geweest. Maar vlakbij het stationnetje van Zandvoort kon ik niet anders dan ook deze moegestreden krijger laten gaan. Op weg naar het circuit moest ik mijzelf nog enkele stop-and-go penalties toestaan, zo uitgepierd was ik. Gelukkig bereikten de eerste olie-, kerosine- en benzinedampen van de racetrack mijn fijngevoelig neusje en wist ik dat aan dit lijden en strijden een eind zou gaan komen. Wat ook hielp is dat er in het dorp vele supporters waren die ons hartstochtelijk aanmoedigden - alsof ze ècht wisten hoe zwaar het was geweest. En ook hier waren weer veel partytenten opgezet waarin door de aanwezigen onwaarschijnlijk veel alcohol werd verstouwd. Een nieuwe traditie bij massale hardloopwedstrijden is hiermee inmiddels ontstaan, maar of wij daar blij mee moeten zijn vraag ik mij af.

Op mijn tandvlees bereikte ik het circuit, waarop ik mij door het uitzinnige publiek over de eindstreep liet dragen. Met wijdse gebaren werd de zwart-wit geblokte finishvlag gezwaaid om mij uit mijn lijden te verlossen. Mijn eindtijd noem ik hier niet in dit kletsverhaaltje - mijn gevoel voor eigenwaarde staat dat niet toe. Tip van de sluier: nog nooit had ik een halve marathon zo langzaam gelopen. Dit was er één die enorm bevochten was, en gezien mijn huidige vorm kon ik toch trots zijn op wat ik had geflikt. Door een bewonderend kijkende vrijwilligster kreeg ik een zeer fraaie medaille aangereikt, en even later werd mij ook nog een flesje sportdrank in de vermoeide handen gestopt. Zonder het door te hebben werden wij om de pitsboxen heengeloodst richting het evenemententerrein op Paddock 2. Daar ontmoette ik Nico weer, die het ook zwaar had gehad maar een alleszins acceptabele tijd had gelopen.

Gezamenlijk togen wij naar de omkleedruimte waar een ieder, stil en aangedaan door het zojuist doorstane hardloopleed, bezig was de natte plunje te vervangen door droge. Snel kleedden wij ons om, al was het alleen maar om niet weer bevangen te raken door de oliedampen. Geroerd namen wij afscheid van het circuit dat ons vandaag zoveel strijd en ontberingen had bezorgd, en banjerden in gezwinde pas richting het Zandvoortse station. Daar ging een veelheid aan treinen het hele peloton weer naar Haarlem en verder brengen. Het was een mooie, uitputtende en toch weer inspirerende dag geweest hier in het Zandvoortse. Helaas was door het ontbreken van een Persoonlijke Pitspoes mijn kale bolletje wel ernstig verbrand. Daar moeten ze toch wat aan doen, willen ze mij ooit nog verleiden tot het lopen van deze Zandvoort Circuit Run.

Het gemis van de CPC was door deze kuitenbijter, èn die van Reeuwijk, in ruime mate gecompenseerd. Qua beleving èn qua strijd, kortom een genoegdoening op alle fronten. En het goede nieuws uit Den Haag was: er gaat some sort of compensation worden geboden voor het cancellen van de loop. Het zou erop kunnen uitdraaien dat voor alle ingeschreven deelnemers de startplaats voor de editie van 2020 verzekerd is. Ik zie er reikhalzend naar uit. Voorlopig echter gaan er door mij even geen halve marathons meer worden gelopen, dus (let op!) ook de geplande HM van Leiden niet. Ik ga nu pas op de plaats maken, en op een fatsoenlijke manier weer opbouwen naar betere tijden met betere eindtijden. Tijden behaald in wedstrijdlopen waarover uiteraard weer groots en meeslepend verslag zal worden gedaan - dat blijft. Watch this space!

Foto's bij deze blogpost

Screenshot_2019-05-13-13-53-22.png

Looptijden.nl op Facebook