Mijn allerzwaarste (en allerlaatste?) loop

Gepost door Arranraja op donderdag 10 oktober 2019 11:15

Rijk geïllustreerd te bezichtigen op: https://arranraja.wordpress.com/2019/10/10/mijn-allerzwaarste-en-allerlaatste-loop/

Eigenlijk heb ik er de afgelopen jaren nooit bij stilgestaan. Ja, uiteraard wist ik dat de Dam tot Damloop wat betreft het aantal deelnemers de grootste loop van ons land is. En als je er dan uiteindelijk erover nadenkt, is het niet onlogisch dat deze ren (ongetwijfeld mede om die reden) ook populair is bij veel ongetrainde en/ of onervaren lopers. Het klinkt tenslotte niet verkeerd als je kunt zeggen dat je de DtD voltooid hebt. Waarom deze inleiding? Welnu de DtD was weer eens in het nieuws. En niet vanwege het gegeven dat opnieuw een enorm aantal (40.000+?) moegestreden maar blije renners zoals ieder jaar de route van Amsterdam naar Zaandam succesvol aflegden. Nee, het was die dag eind september ongewoon warm. Een gegeven dat deze lange en behoorlijk zware trimloop voor slecht-voorbereide lieden nog een stuk lastiger maakte om te verhapstukken. Aan mij is het volledig voorbijgegaan maar het schijnt dat de door de hitte bevangen lopers bij bosjes langs de route lagen. Reden voor de organisatie om tegen het einde een startverbod uit te vaardigen voor de laatste 4000 (individueel aangemelde) lopers. En die zaken werden uiteraard voor het voetlicht gehaald door de media. Want negatief nieuws is veel interessanter dan de gewoonlijke usance van die ontelbare finishers.

Ik had echter zo mijn eigen sores. Ongeveer halverwege de meimaand heb ik al kond gedaan van rugklachten die een paar weken eerder mijn deel waren geworden. Ik wijdde er zelfs een hele blogpost (link:een vermomde zegen) aan. En ik moest in die maand een paar van mijn vaste trimlopen overslaan. Gelukkig (b)leek het euvel na vier weken niet-hardlopen tijdig genoeg bezworen om in juni samen met vriend en privéhaas Peter in A’dam-Zuidoost en Weesp van start te kunnen gaan. Helaas kwamen de klachten daags na de laatstgenoemde loop weer terug en was ik zo onverstandig om direct erna midweeks mijn gebruikelijke duurloop toch door te zetten. Waardoor de klachten verergerden. Opnieuw volgde een onthouding van deze keer vijf weken, die gelukkig gedeeltelijk samenviel met de tropische periode afgelopen zomer, waarin het dus voor mij sowieso te heet was om te gaan rennen. Begin augustus was ik weer klaar voor een herstart en liep ik achtereenvolgens 6, 8 en 10 kilometers. De keer dáárna ging de rug na ongeveer 6 km toch opnieuw zeuren maar nu op een andere plek dan voorheen. Ik stopte direct en nam hernieuwd anderhalve week rust, waarin ik wel een paar flinke fietstochten maakte.

Eind augustus ging de tijd, in verband met de naderende Dam tot Damloop, wel erg dringen en stak ik wederom van wal. Ik bouwde noodgedwongen snel op van twee keer 7 km via 10 naar 15 km. Telkens nam ik paracetamol om het ergste ongemak enigszins te temperen. 12 km en nog een keer ruim 15 volgden en waren met die kleine, witte helpertjes redelijk goed te doen. Midweeks vóór de DtD besloot ik bewust rust te houden om op manier het lichaam zo optimaal mogelijk voor de zware klus te prepareren. Want, teruggrijpend naar mijn inleiding, deze grootste loop van Nederland is voor bijna niemand een sinecure. Nee, zowel door de grote drukte erop, alsook door het parcours zelf is het de zwaarste loop die ik op mijn programma heb staan. Zwaarder bijvoorbeeld dan de halve marathons die ik in Het Twiske en langs het riviertje De Gein heb voltooid. Je zou denken dat lopers met weinig kilometers in de benen er verstandiger aan doen een lichter evenement te kiezen. Door mijn lichamelijke toestand zou het nu ongetwijfeld een nog extra zware bevalling worden. En daags tevoren bleek het dus ook nog eens zomers warm te gaan worden op die 22ste september van het jaar onzes heren 2019. Waarom dan niet gewoon verzaakt, de pijp aan Maarten gegeven, het bijltje erbij neergelegd, de weg van de minste weerstand gekozen? Welnu, dit moest mijn tiende, achtereenvolgende DtD gaan worden. Die tiende keer opeenvolgend de zwaarste loop verhapstukken wilde ik gewoon halen. Iedere andere trimloop, zelfs die uit mijn persoonlijke top vijf, zou ik hebben laten schieten, laten lopen. Maar niet de DtD, mijn eersteling van negen lange jaren geleden, waarmee ik een haat-liefderelatie onderhoud.

De nogmaals geraadpleegde huisarts had mij inmiddels voor een röntgenfoto naar het ziekenhuis gestuurd. De vrijdag voorafgaande aan die warme zondag werd deze geschoten. Wat ik uit navraag bij mijn gezondheidscentrum die dag leerde, was dat een doorverwijzing naar de orthopedisch chirurg geadviseerd werd. De details zou ik pas een dag na DtD-day van mijn eigenste dokter vernemen. Geen moment twijfelde ik er kort voorafgaand echter meer over, ik zou de uitdaging aangaan en die tiende medaille desnoods wandelend binnenslepen. Mocht mijn lichaam in het vervolg ongeschikt verklaard worden om nog te rennen, dan had ik mijn hardloopcarriere in ieder geval afgesloten op het hoogst denkbare niveau en in overeenstemming met de aanvang negen jaar geleden. Want zoals gezegd was de DtD in 2010 mijn eerste georganiseerde loop ooit.

Wat betreft training en het aantal van te voren hoeveelheid afgelegde kilometers, was ik er min of meer klaar voor. En toen duidelijk werd dat de temperatuur een belangrijke rol ging spelen, nam tevens ik een aantal maatregelen. Daarbij volgde ik de meeste aanbevelingen dienaangaande van de organisatie op. De hoeveelheid kleding was voor mijn doen minimalistisch met slechts een enkel wit shirt met korte mouwen. Daarmee liet ik het door de ex-werkgever verstrekte en uit donkere kleuren bestaande teamshirt in de tas. En uit de lichtstgetinte korte broek die ik bezit, knipte ik de überhaupt overbodige binnenbroek. Daaronder had ik deze keer niet de extra compressiebroek die ik altijd pleeg te dragen. Aan mijn riem hingen twee bidons, één met sportdrank en eentje met water, waaruit ik van meet af aan zeer geregeld slokken nam. Gezicht, nek, armen en knieën waren ingesmeerd met zonnebrandcrème. Een pet met zonneklep en een zonnebril behoren altijd tot mijn standaarduitrusting, daar veranderde nu uiteraard niets aan. Op de laatste twee, belangrijke aanbevelingen kom ik straks nog terug.

Kort voor het middaguur arriveerde ik op Amsterdam Centraalstation. Het afgeven van de plastic tas met droge kleding voor na de finish was weer eens een drama. Eerst had ik wat moeite om de vrachtwagen met het relatief lage nummer te vinden op het busstation aan de IJ-kant. En toen ik die eenmaal ontdekt had, moest ik mij een weg banen door de menigte van medelopers die, om mij volkomen onbegrijpelijke redenen, altijd samendrommen en staan te keuvelen vlak voor die afgiftepunten. Zoals ieder jaar was ik weer erg blij dat ik deze plek kon verlaten. Het zou dus heel warm worden die dag maar daar was op het teamsamenkomstpunt aan de stadszijde van het station niets van te merken. Op de Odebrug waar de officiële foto’s van de businessteams geschoten werden, kwam zelfs een heerlijk verkoelend windje aanwaaien van over het aanpalende water vanuit de richting van het Nemogebouw. De loper die later in de media verklaarde dat het onverantwoord was geweest om na 12:00 uur nog renners te laten vertrekken, werd om die reden door mij voor gek verklaard. Mijn start was om 12:30 uur en ik heb onderweg wel veel mensen zien wandelen maar geen loper in nood in het vizier gehad. Alleen in de 15e km kwam er één heel raar rennende jongeman voorbij die even later onderuit ging. Het komt wel vaker voor dat er deelnemers zijn die zich niet volgens de regels der kunst voortbewegen. Dus op dat moment ging ik uit van iemand met een ongecoördineerde motoriek. Het kan echter goed zijn dat ik dat volkomen verkeerd heb ingeschat en dat deze loper het slachtoffer was geworden van de onderschatting van de hitte. De aangename wind voelde ik trouwens ook op de route op meerdere plaatsen. Ik haalde dan direct de pet van het bolletje om de kop optimaal te laten genieten van het verfrissende effect van die wapper.

Niet het goed doorstaan van de warme omstandigheden waren mij een zorg. Nee, door de frequente deelname aan de loopjes in tropisch A’dam-ZO en het immer warme Weesp durfde ik mijzelf wel te kwalificeren als ervaringsdeskundige op dat terrein. Mijn twijfel ging geheel en al over de vraag of de gekwetste rug zou willen meewerken c.q. deze zware tocht op aanvaardbare wijze zou kunnen volbrengen. Een eerste antwoord kwam meters na de startstreep. Mijn achterzijde voelde direct onprettig aan en dit zou derhalve een loodzware loop gaan worden. Maar ik had ‘A’ gezegd, mijn tas was al op weg naar Zaandam, ik had de trossen losgegooid. Ergo, ik ontkwam niet aan ‘B’ en moest die 16,093 km/ 10EM min of meer rennend zien af te leggen. Vanwege het ongemak liep ik verre van soepel en kwam ik maar langzaam vooruit met een snelheid dik onder de 9 per uur. Laat dat nou net een van de belangrijkste, eerder aangehaalde aanbevelingen van Le Champion zijn geweest: doe het vooral kalm-aan, loop rustig en probeer vooral geen pr te verbeteren. Hier was een groot nadeel voor mij toevallig een aanzienlijk voordeel. Ik kon eenvoudigweg niet sneller en dat was maar goed ook. De enige doelen die ik mijzelf gesteld waren: de eindstreep bereiken en het liefst wel binnen de twee uur.

Al achteraan het startvak weggegaan, kwam ik door die geringe snelheid vrijwel compleet in de staart te lopen. Daarbij had ik niet het idee dat er korte tijd later nog eens een tweeduizendtal enthousiastelingen was weggeschoten, want er kwamen lange tijd geen snelle lieden mij achterop. Sterker nog, ondanks de geringe snelheid had ik het idee zelf meer op te rapen dan ingehaald te worden. Ik heb het vermoeden dat ik nog nooit zo’n rustig DtD-parcours heb afgewerkt. Een gegeven dat gezien mijn krakkemikkige lichamelijke staat een zeer prettige bijkomstigheid was. Na een uiterst moeizaam eerste stuk, kwam er na de IJ-tunnel toch een min-of-meer vol te houden cadans in mijn hobbelpas. Ik had weer tijd om rond te kijken naar de lotgenoten op de route. Er werd al vroeg gewandeld, o.a. door een jongedame die een gewone lange broek droeg en een rugtas. Samen met een wel in renkleding gestoken maatje, zette zij soms even tot looppas aan om dan weer terug te vallen naar wandeltempo. Het in het verleden immer aangename (want breed en relatief rustige) stuk Nieuwe-Leeuwarderweg leek nu in mijn beleving, moeizaam als ik mij voortbewoog, erg lang te duren. Ik realiseerde mij dat de afstand tot de finish in Zaandam nog lang was en werd niet heel blij van dat vooruitzicht. Aan de andere kant vond ik het sterk dat ik de pijn trotseerde en die tiende vetleren plak ging proberen te halen. Dat hield mij op de been en in iets dat doorging voor looppas. De aangeboorde adrenaline deed inmiddels ongetwijfeld ook zijn oppeppende werk.

Pas na 5 km zou ik even een stukje gaan wandelen. Op dat punt gekomen kon ik toch nog wel even voortdoen en zo schoof ik de eerste wandelpauze telkens wat naar achteren. Bij de eerste verzorgingspost na 4 km hadden ze helaas geen sponzen in de aanbieding, anders had ik het verhitte hoofd al kunnen gaan lappen. Dat hoofd had al menig aanslag van door de organisatie ingehuurde geluidsterroristen overleefd. ‘Platenpoetsers’ die meestal ook nog onder bruggen stonden, zodat de door hen geproduceerde herrie nog eens extra galmde en weerkaatste. Blij was ik met de oudere diskjockey die op de plek waar voorheen de allerergst denkbare laweit vandaan kwam, juist toen ik er voorbijschoof de Herman van Veen-klassieker ‘Opzij’ aan het draaien was. Mijn stappen pasten zowaar gevoelsmatig precies in het ritme van dit voor oudere hardlopers zoals ik herkenbare en stimulerende deuntje. Dat was even een prettig momentje tijdens mijn martelgang. Meters verderop ging ik langzaam aan een wandelende jonge vrouw voorbij. Ik vroeg haar nog het nog wel ging, een vraag die zij bevestigend kon beantwoorden. Daarna kwam deze jongedame meerdere malen aan mij voorbijrennen om vervolgens weer tot slakkengang terug te vallen.

Her en der op de weg gerichte tuinslangen ontwijkend, wist ik het moment van wandelen uit te stellen tot aan de fruitpost op ongeveer de helft van het traject. Zodra ik stopte, voelden mijn benen wat stijf en vermoeid aan. Ongetwijfeld een gevolg van het feit dat ik nu niet bepaald soepel aan het rennen was. Ik nam al wandelend de tijd om twee halve bananen naar binnen te werken. Twee hele exemplaren waren vóór de start al dezelfde weg gegaan, aangezien een normale lunch er bij een startschot juist voor schafttijd vanzelfsprekend niet inzat. 500 meter verder langs het pad was er een volgende drankpost die, de hemel zij geprezen, wel lapzwansen in het assortiment had. Ik palmde er, onbescheiden als ik heel soms kan zijn, meteen een tweetal in en begon verwoed te boenen en te vegen. Terwijl ik daarmee druk doende was, toucheerde een onverlaat mijn linkerzijde. Hetgeen aan mij enige minder vriendelijke kreten in zijn richting ontlokte. Dat was fortuinlijkerwijze de enige keer deze rit dat mij een dergelijke ongewenste aanraking ten deel viel. zoals vermeld kwam het mij voor dat ik meer renners opraapte dan andersom. Een daarvan was Ingrid, de enige teamgenoot die ik onderweg tegenkwam. Op mijn vraag of zij het ging redden, was het antwoord positief, maar Ingrid deed het rustig-aan, want zij had last van de warmte.

Juist voor het arriveren bij de fruitpost, moest ik een medeloper streng toespreken met: ‘lijn houden graag’. Want hij kwam wel erg veel naar binnen toen ik hem in een bocht naar links juist aan het passeren was. Bij de daaropvolgende haak meters verderop, was een klein blaasorkest een prachtig stukje muziek aan het spelen. Of het iets klassieks was of een meer populair deuntje heb ik niet precies kunnen registreren. Wel was het, zeker vergeleken bij de heipalenmuziek die overal langs de route de lucht in geslingerd werd een genot voor de oren, althans voor die van mij.

Ergens in de buurt van de gemeentegrens tussen de hoofdstad en Zaanstad, zag ik een bekende verschijning langskomen. Het waren de onmiskenbare renbewegingen van de relatief jonge renner die ik tijdens mijn duurloopjes langs het kanaal zeer geregeld ontmoet. Hij steekt dan immer zeer vriendelijk kijkend de hand naar mij op. Ik riep hem nu nog iets na in de trant van ‘mijn loopmaatje van langs het kanaal’, maar heb geen flauw idee of hij daar iets van heeft meegekregen. Er kwam in ieder geval geen teken van herkenning of iets dergelijks. De eerste acht kilometer hield ik het ondanks de lichamelijke ongemakken dus aardig vol. De bananen, sponzen en het wandelstukje kon niet verhinderen dat daarna de klad er lichtelijk inkwam. Ongetwijfeld ook door de hoge temperatuur raakte ik vermoeider en ging de rugpijn daardoor meer voelen. Bij het 10-kmpunt stonden camera’s opgesteld. Daar kon ik nog net hobbelend langs om vervolgens de draf ten tweeden male te verruilen voor de wandelpas. Ik bevond mij nu in het niemandsland tussen de twee genoemde steden en helaas was de brede weg grotendeels in de zon. Het leek hier terplekke trouwens wel wat op de Vierdaagse van Nijmegen, want er werd door een fiks aantal lopers gewandeld. Allemaal verstandige lieden die niet intern oververhit wilden raken en gezond de eindstreep overschrijden.

Over alle kilometers waarin ik wandelde deed ik ongeveer 8 minuten en de bijna complete 11e was daar een van. Toch lag ik nog steeds op schema om binnen 2 uur de monstertocht te volbrengen en ik zette opnieuw aan. De dijk met aan een kant vele industriële bedrijven leek ook nu weer eindeloos te duren. Na 12 km mocht ik van mijzelf wederom gas terugnemen maar uiteindelijk besloot ik dat uit te stellen. Eerst wilde ik tot 14 km doorhobbelen maar bedacht dat dat het begin van de door mij verfoeide Zuiddijk in Zaandam was. Dit is een vrij smalle klinkerstraat waar het altijd loeidruk met publiek en oorverdovend lawaaierig is. Behalve tijdens mijn allereerste deelname, heb ik die ruime kilometer aldaar om de zojuist genoemde redenen steevast verafschuwd. Daar wilde ik derhalve beslist niet gaan wandelen. Dus deed ik voort tot de bocht aan het einde van de eerder genoemde dijk en liet daar mijn tempo zakken. De route beschreef hier een u-vorm met onderin verversing. In het langswandelen doopte ik mijn twee sponzen in de met nog meer exemplaren gevulde bak met koel water. Nauwelijks had ik mijn linkerhand er weer uitgehaald of ik voelde iemand aan een spons trekken. Een renster dacht zeker dat ik tot het uitdeelpersoneel behoorde en wilde zo’n nat ding van mij meegrissen. Ik hield echter voet-bij-stuk en de sponzen voor mijn eigen gerief. Een renster met een duidelijk Vlaamse tongval, die ik klein stukje met mij op wandelde, deelde haar verbazing over het feit dat de weersomstandigheden nog zwaarder waren dan vorig jaar toen het koel en kletsnat was.

Na precies 14 km zette ik het voor de laatste maal op een lopen. De wandeling en het gelijktijdige sponslappen hadden mij blijkbaar goed gedaan. Want ik kwam zowaar redelijk vooruit. Nu wist ik het zeker: ik zou de meet gaan halen. Ondanks de flinke lichamelijke beperkingen zou ik voor de tiende, opeenvolgende maal het felbegeerde eremetaal in de wacht slepen. Die vermaledijde Zaandamse Zuiddijk was opnieuw eindeloos en net als vorige jaren dacht ik op een gegeven moment het einde ervan in zicht te hebben. Maar dat was wederom een fata morgana. Ik trotseerde alle drukte en herrie en zag de eerder genoemde vreemd bewegende renner onderuitgaan. Alleen die ene waterstraal zag ik over het hoofd, kon niet anders dan er doorheen om direct een groot arsenaal aan waterdruppels pal voor mijn ogen op de brillenglazen te ontwaren. Het was nu niet ver meer en de twee bruggen over de Zaan werden eenvoudig genomen. Daar tussenin zorgde de mensenmassa’s achter de dranghekken aan weerszijden op de Dam voor nog wat extra impuls. De laatste brug over de naamgevende rivier ervoer ik niet eens meer als een zware hobbel. Ik kwam in een soort lichte trance en wist wat mij te doen stond: voorthobbelen tot ik over die twee zware matten was geraakt. Ik had even voordien al op mijn horloge gezien dat ik ruim binnen de twee uur koerstijd zou blijven. Aan die voorwaarde had ik dus al voldaan.

Ik was niet eens kapot toen ik over de finish kwam, wel blij dat het erop zat en dat ik het gehaald had. Na even bijkomen en wat ultieme lapwerkzaamheden, begaf ik mij naar een van de sluizen alwaar de plakken en de flesjes werden uitgereikt. ‘Mijn tiende’, zei ik tegen de man die mij het kleinood overhandigde. ‘O, dan moet je nog even door’, was zijn afgemeten reactie. ‘Dat is nog maar helemaal de vraag’, dacht ik terwijl ik doorliep en de vernauwing verliet. Tijd om mijn vrouw te bellen, die al wist dat ik over de eindstreep was gekomen omdat zij mij had gevolgd via de DtD-app. Ik leegde mijn twee drinkflessen onder de neus, spoelde die en mijn wat plakkerige handen om en af onder een geïmproviseerde kraan. En beende, zo snel als mijn vermoeide onderdanen dat toelieten, naar mijn tas met droge kleding. Die had ik gelukkig snel te pakken en slalommend langs alle rencollega’s met aanhang die op die lange rechte straat bleven hangen, spoedde ik mij naar de dichtsbijzijnde kleedkamer, in die aftandse sporthal een eindje verder in de buurt. Daar vernam ik voor het eerst dat de wedstrijd vanwege de hitte en de vele bevangenen inmiddels was stilgelegd. D.w.z. dat de laatste startvakken een vertrekverbod hadden opgelegd gekregen. Dat zou vooral te maken hebben gehad met het feit dat de hulpverleners niet nog grotere hoeveelheden slachtoffers aankonden .

In de vaste, oude maar droge spullen begaf ik mij al broodetend op de overbekende, lange route richting de Nederlandse Spoorwegen. Er bevonden zich nog steeds renners op het parcours in de Peperstraat en de Zaankanters hadden zich niet laten afschrikken door de ontwikkelingen van de laatste uren. Want het was nog steeds goed druk op straat en vooral bij de uitspanningen die verkoelend vocht schonken. Zelf zocht ik op het laatste rechte eind naar het station De Koffiezaak op. Om aldaar een grote moccachino aan te schaffen en naar binnen te werken. De eerste slokken van die lekkernij smaakten niet zo best omdat ik eerst twee van die kleine witte pilletjes had opgekauwd. Mijn gekwetste rug had namelijk het nodige te verduren gehad en de pijn moest nodig weer even getemperd worden. Overal onderweg waren er uiteraard vele hardlopers getooid met medailles en de overbekende DtD-tassen in touw, evenals in de twee treinen die ik nam en op Amsterdam Centraal. Mocht dit daadwerkelijk mijn allerlaatste loop geweest zijn (er schijnt iets veranderd te zijn aan een paar van mijn rugwervels), dan zal ik dergelijke taferelen zeker gaan missen.


Looptijden.nl op Facebook