Het einde van de tunnel

Gepost door Arranraja op zondag 23 juni 2019 19:22

Zoals altijd ook te bekijken (veel foto's!!) op https://arranraja.wordpress.com/2019/06/23/het-einde-van-de-tunnel/

Op het moment dat het volgens de kalender nog winter was, ergens eind februari, ontving ik de eerste nieuwsbrief van de Gaasperplasrun. Omdat deze in juni te houden trimloop toen nog de ver-van-mijn-bedshow was, heb ik die mail niet gelezen. In een plaatselijke krant zag ik een dikke maand later toevallig dat er opnieuw door de in aanleg zijnde, overdekte Gaasperdammersnelweg gelopen zou worden. Dit gelezen hebbende begin april, schreef ik mij meteen in, om niet achter het net te vissen. Voor naar wat nu gebleken is, de laatste editie van de Gaasperdammertunnelrun. Ik trakteerde mijzelf daarbij ook op het jubileumloopshirt aangezien het ging om de 25ste editie van de Gaasperplasrun.

Toentertijd had ik wel al last van wat lichte lappenmandklachten, verder bevond ik mij waar het hardlopen aangaat, nog in het volle daglicht. De Nescioloop was aanstaande, de Roze loop aan het einde van diezelfde maand ook en voor de meimaand wachtte mij de onmogelijke keuze tussen de Geinloop en de Wallenloop. Met de datum van die eerste trimloop was niet voor de eerste keer geschoven, waardoor deze op exact dezelfde dag terechtkwam als de Naardense loop. Geheel onwetend was ik nog over de donkere tijden die eraan zaten te komen! Ik heb er in mijn vorige relaas reeds kond van gedaan, onvermoede overbelasting van de rugspieren gooide grootscheeps roet in mijn rendieet. Vanzelfsprekend hielp ik mijn jongste dochter juist voor Pasen met het naar beneden en in de bestelbus sjouwen van de meubels en spullen die zij meenam naar haar nieuw verworven onderkomen. Dat leek mijn ruim 60 jaar oude lichaam goed verstouwd te hebben, ook toen ik een dag later op pad ging om tien Engelse mijlen te verhapstukken.

Midweeks sloeg de duisternis echter onbarmhartig toe. Ik zette aan voor de volgende duurloop en mijn rug voelde onmiddellijk pijnlijk. Toch liep ik door, een daad die ik achteraf gezien wel betreur. Want dit bleek het begin van een vier weken durende, zwaar bewolkte periode, om niet te zeggen een slakkengang door een Alpentunnel van een kilometertje of 18. Waarin rennen uit den boze was. Bij de Roze loop, waarvoor ik al was ingeschreven en had betaald, moest ik verstek laten gaan. Hetgeen een dubieuze en niet voor herhaling vatbare primeur opleverde. Een wrang lichtpuntje was het feit dat de lastige keuze tussen Wallenloop en Geinloop mij bespaard bleef. Rust, plaatselijke verwarming en wat oefening van de bewuste spieren losten het blessure-euvel niet spoedig genoeg op. Wat mij deed besluiten het over een andere boeg te gooien. De oefenintensiteit werd opgevoerd en het hardlopen kwam terug op het menu. Rust-roest tenslotte en het flink doorbloeden van het gehele lijf kon in mijn visie geen verdere schade aanbrengen, eerder het tegenovergestelde.

Zo geschiedde en het bleek te werken! Want die tunnelrun kwam eraan en daar wilde ik hoe-dan-ook aan deelnemen. Iedere keer dat ik aanzette tot looppas deed de rug best even pijn maar hoe langer ik liep, hoe minder dat werd. En per keer dat ik van wal stak, zakte het ongemak verder weg. De zon kwam dus weer steeds vaker door, het dikke wolkendek werd alsmaar dunner, ik vermoedde dat deze duistere kerker toch een uitgang moest hebben. Een volgend lichtpunt was het bericht van loopvriend Peter dat hij ook van de partij zou zijn op die tweede zondag in de junimaand daar in dat tropische stukje Mokum. Ik kon derhalve beschikken over mijn persoonlijke Goudse kaashaas om mij over de Zuidoostelijke paden en door de genoemde echte tunnel te loodsen. Achteraf gezien is ‘lichtpunt’ een duidelijk te zwakke kwalificatie en dekt ‘stadionverlichting’ de lading vele malen beter. Van 6 via 10 en 12 had ik de kilometerhoeveelheid al opgevoerd naar 13 km. Maar vier weken stilstand in een onderaards gewelf is, zeker voor een renner van mijn leeftijd, niet bevorderlijk voor de conditie, de souplesse en het uithoudingsvermogen. Dus had ik telkens een of meerdere pauzes moeten inbouwen tijdens mijn duurlopen. En ik ging hard noch veerkrachtig/ lichtvoetig over de paden. De laatste training midweeks voorafgaand aan de grote zondag diende er derhalve echt een langer stuk aaneen gerend worden. Ik ging voor een route van 11 km. Die lukte zonder stoppen en voor het eerst had ik tijdens het lopen helemaal geen centje pijn. In mijn hoofd werd het letterlijk en figuurlijk steeds lichter. Wel appte ik Peter dat het tempo tijdens de run wat mij betreft ‘dead slow’ zou worden. Want veel harder verwachtte ik niet te kunnen gaan.

Wij spraken af op het dichtstbijzijnde NS-station en wandelden gebroederlijk naar de ‘plaats des heils’, zoals mijn favoriete loopmaatje dat steevast zo fraai weet te omschrijven. Vooraf zeeën van tijd hebbende, konden wij in alle rust de benodigde plichtplegingen afwerken en ik zal de lezer niet verder vermoeien met de details daarvan. In tegenstelling tot bij bijvoorbeeld de Twiskemolenloop waar het andersom is, werd de langste afstand hier als laatste weggeschoten. Dus hadden wij tussen het opwarmen door ruimschoots de gelegenheid om naar de eerder vertrekkende lopers te kijken. Bij de 10 km gingen twee mannen als pijlen uit bogen ervandoor. Peter suggereerde eindtijden van laag in de 30 minuten wat achteraf behoorlijk bleek te kloppen met 32 minuten en een beetje, resulterend in een uursnelheid van 18,63 en een gemiddelde kilometertijd van 3:13 minuten. Een groot contrast vormde de snelheid waarmee de laatste renners zich over de baan voortbewogen. Dat was meer ons tempo, naar het zich liet aanzien. 288 10 km-klanten zagen wij aan ons spiedend oog voorbijtrekken, vijf minuten later gevolgd door 181 stuks 5 kmlopers. Dit vooraleer wij temidden van 351 andere tunnelrunners zelf vertrokken voor onze odyssee. Tezamen met nog wat jeugdige enthousiastelingen die al eerder op de ochtend hun rondje door het Nelson Mandelapark hadden voltooid, toch een kleine 900 renners die dit ‘kleinschalige’ hardloopfeestje hebben opgeluisterd.

De weersomstandigheden waren prima met witte wolkjes aan een overwegend blauwe lucht en een verfrissende bries bij pak-hem-beet 17 of 18 graden Celsius. Ondanks meerdere lommerrijke stukken kon het trouwens onderweg best hier en daar redelijk warm worden in tropisch Amsterdam. Ons strijdplan was ook helder: langzaam maar gestaag de route afleggen, heel blijven en de eindstreep zien te halen. Heroïsche kilometer- dan wel eindtijden mochten er van niet verwacht worden. Ja, ongeschonden en voor de bezemfietser finishen zou al heldendaad genoeg zijn. Ik noemde het getal van 9 km per uur of daaromtrent als leidraad. En ik maakte aan mijn haas duidelijk dat ik hem zou terugfluiten als hij te hard ging. Het hoeft voor ingewijden geen betoog dat die richtsnelheid al direct de spreekwoordelijke prullenbak in kon. Want hoewel redelijk achterin in het pak gestart, gingen wij al direct tegen de 10 per uur. En dat terwijl Peter, zoals hij na afloop vertelde, van acquit problemen had met zijn ‘warmtemanagement’, (zijn eigen omschrijving). Later in de race verdwenen die moeilijkheden, als ik het goed heb begrepen.

Dat gebrek aan klimaatbeheersing zorgde er wellicht voor dat niet hij maar ondergetekende in het prille begin de dans leidde. En uw verteller kon het, als oudgediende bij deze loop en als voormalig inwoner van het onderhavige stadsdeel, niet laten om hier en daar een opmerking te maken over een onderdeel van het decor waarin wij liepen. Zo kon ik bij de eerste brug aangeven dat wij daar later in de tunnel onderdoor zouden gaan. Daarbij uiteraard bedoelend letterlijk en niet figuurlijk. In een doorgaans warme Holendrechtse woonstraat kwamen wij achter een vrouwelijk duo te lopen. Hardop bespraken wij daar nog enkele onderdelen van ons tactisch plan, welke precies is mij inmiddels ontgaan. De dame ter rechterzijde reageerde daar direct op met de woorden: ‘dan ben ik waarschijnlijk niet de ideale haas om dit te realiseren’, of iets in die trant. Peter herinnerde zich toen blijkbaar ineens weer dat zijn naam haas is, want hij slalomde direct om de spreekster heen en nam het voortouw over. Zoals een plichtsgetrouwe pacer behoort te doen!

In het overgangsstuk van het Nelson Mandelapark waar de start plaatsvond, naar de Gaasperplas en omringende gedeelten, liepen we prettig onder de bomen. Hier hadden we nog een paar korte praatjes met de twee dames, waarbij de zelfbenoemde ‘haas’ vertelde dat zij nog nooit meer dan 10 km achter elkaar gelopen had. Een ware uitdaging wachtte haar dus! Het brede pad lag hier, kort na al het slechte, stormachtige weer, bezaaid met takjes en bladeren. Een van die twijgjes bracht mij bijna ten val toen ik met de ene voet erop stapte, het daarbij iets omhoog werkte en direct aansluitend de andere voet erlangs haalde. Gelukkig bleef ik overeind en in de race. De dames lieten wij al spoedig achter ons en weldra sloten wij aan bij twee heren der schepping. Een stukje door mijn oude wijk Reigersbos, alwaar een fotografe op een hoekje met scherp stond te schieten, bracht ons naar de boorden van de naamgever van de loop, de Gaasperplas. Ik waarschuwde mijn compagnon voor het gegeven dat wij nu een tijdlang in de zon zouden lopen. Althans zo stond het in mijn geheugen gegrift. Gelukkig was die schaduw er hier en daar wel op het groene fietspad aan de zuidzijde van het recreatiewater. Dat door de overvloedige begroeiing zelf overigens nauwelijks in beeld kwam. Deze plas is trouwens ontstaan door zandwinning voor de omringende woonwijken. Daar waar het water wel kort in beeld kwam, wees ik mijn metgezel terstond daarop. Ik hoop dat ik hem daarmee niet overvoerd heb en zo ja, mijn welgemeende excuses voor de overlast. Er kwam ons een renner, gevolgd door een vrouw op de fiets, tegemoet en de ene man van het genoemde tweetal in wiens kielzog wij ons bevonden, riep direct: ‘je moet de andere kant op’. Waarop hij even later aan ons toevertrouwde: ‘dat was vast de tiende keer dat die man dat te horen kreeg en hij is daar helemaal zijn van’. Deze gevatte renner had in mijn herinnering een licht-Amsterdamse tongval en zeker de bekende branie van de hoofdstedeling.

Wij hadden inmiddels ruim vijf kilometer afgelegd en het werd eigenlijk wel tijd voor de drinkpost. maar die was pas 1000 meter verderop gepositioneerd. Dus werd het even doorbijten op dit relatief warme gedeelte (want zonnig en uit de wind) van het parcours. Ik besloot korte tijd te wandelen op het moment dat Peter zijn bekertje water pakte en zich laafde. En uiteraard nam ik zelf mijn fles ter hand om ook een paar flinke slokken dorstlessend vocht te nemen. Verrassing, er werden naast water ook natte sponzen uitgedeeld. Daar had ik mijn gedachten nog niet over laten gaan maar ik wist niet hoe snel ik er een moest veroveren, teneinde vooral voorhoofd en nek te kunnen betten. En ik bekende aan Peter dat niet langer hij maar deze koelte-en vochtbrenger mijn beste vriend was. Die ik na de eindstreep nog steeds stevig vasthield. Het fietspad aan de zuidzijde was inmiddels overgegaan in een toegangsweg voor vierwielerverkeer en een enkele auto kwam ons tegemoet.

De draf weer hervat hebbende, sloegen wij linksaf het Gaasperpark in, waar in 1982 de Floriade had plaatsgevonden. Nu waren we twee kilometer weer grotendeels onder de bomen en derhalve fijn in de schaduw. Opvallende gebeurtenissen hier o.a. een renner die stilstond bij en in gesprek was met een vrijwilliger van de organisatie. Mijn inschatting was dat hij informeerde of hij toch het 10 km-parcours kon volgen i.p.v. de 3,5 km langere tunnelroute. Hij stak juist voor ons weer van wal en hield inderdaad in bij het punt waar de twee routes zich scheidden. Naar welke kant deze loper uiteindelijk ging, kan achteraf ik slechts gissen. Ergens in het park hoorden wij herhaald luid getoeter van achter ons, steeds naderbij komen. En even later raasde een Canta langs ons heen. Wat die man, want dat was het, daar deed en bezielde weet ik niet. Maar het bewijst dat je overal, zelfs in een op het oog vredig park, verkeershufters kunt tegenkomen. Het leek wel of de man er heel veel genoegen in schiep om ons lopers schrik aan- en op stang te jagen. Te ‘stangen’, zoals ze in Mokum zeggen. Hij drukte overigens niemand van het pad af en verdween even rap als hij gekomen was.

Ook hier had de harde wind zijn stille getuigen achtergelaten in de vorm van veel boommateriaal op de paden. Dat betekende opnieuw goed opletten waar precies de voeten neer te zetten. Op dit mooie, schaduwrijke stuk parcours was de temperatuur relatief prettig en na het ronden van de plaatselijke camping naderden wij de tunnel. Ik waarschuwde mijn haas dat het er heet aan toe zou kunnen gaan alvorens wij de donkerte in daverden. Vorig jaar was de aanloop van enkele honderden meters naar het overdekte deel in de zon en uit de wind, nadat het asfalt eerst flink omhoog liep, namelijk bloedheet. En daardoor plotsklaps energieslurpend. Nu kwam er gelukkig juist een wolk voor de koperen ploert en bleef de temperatuur om die reden relatief mild. En wij werden bovenaan direct linksom-rechtsom naar de meest linker van de drie tunnelbuizen gedirigeerd. Het ondergrondse traject bleek daardoor deze keer drie onafgebroken kilometers in het schemerduister te omvatten. Het wegdek ging spoedig naar beneden en onze snelheid en het loopgemak namen daarmee evenredig toe. Het rennen voelde voor mij althans direct makkelijker en soepeler. Daar waar onze uursnelheid de vorige 5000 meters ergens tussen de 9,13 en 9,98 schommelde, kwamen wij nu weer boven de 10/uur uit. Tijdens kilometer nummer 11 vonden wij de tweede drankpost en herhaalde zich hetzelfde wandelscenario als bij de eerste uitspanning. Wij zakten dientengevolge terug naar 9,32/uur. Althans volgens mijn Garminhorloge, want het model van mijn metgezel kwam met andere kilometerpunten en daarom met andere tijden en snelheden.

In de tunnel stonden, net als vorig jaar, werknemers van de bij de bouw betrokken bedrijven. Nu waren dat uitsluitend vrouwen met nogal schelle stemmen, wier aanmoedigingen in de besloten ruimte uitstekend hoorbaar waren. Bij meerdere dames zwenkte ik naar rechts om hun vocale inspanningen te belonen met handjeklapacties, in hedendaagse terminologie ‘high fives’ geheten. Sommigen waren met de auto de tunnel ingereden, een dame was in een soort feestkostuum en maakte behalve met haar stem ook lawaai met een soort belletjes. Bijna aan het einde van dit overdekte parcoursgedeelte stond een wagen schijnbaar alleen te wezen. Er was echter wel een stemgeluid te horen. Voorbij de voiture zat een vrouw ineengedoken onder een kleed tegen de wand. Blijkbaar had zij het een beetje koud. Iets waarvan wij uiteraard absoluut geen last hadden. Eerder al fietste er een jongedame van ons uit gezien ter rechterzijde tegen de looprichting in. Op het moment dat ik haar zag, was ik ervan overtuigd dat zij niets met de run van doen had en zich daar illegaal bevond. Ook al omdat zij geen enkele kledij droeg die duidde op het betrokken zijn bij de organisatie. Bij nader inzien zal dat wel een hersenspinsel zijn geweest, want waarom zou je door een donkere tunnel gaan fietsen als je dat ook lekker buiten in het zonnetje kan doen? Wij kwamen de overspanning uit en de gang omhoog was gelukkig veel geleidelijker en daardoor lichter geweest dan bijvoorbeeld die in de IJtunnel tijdens de Dam tot Damloop. Volgens mijn horloge hadden we precies 12 km afgelegd toen wij juist weer in het daglicht terugkeerden. Die twaalfde ‘ronde’ hadden we zelfs binnen de 6 minuten verhapstukt.

Maar er kwam een addertje onder het gras aan, om naar niet te zeggen een boa constrictor. Wij gingen rechtsaf de bocht om en moesten een klein maar uiterst geniepig puistje beklimmen. Dat hakte er bij mij gigantisch in, alsof die koningspython in beide benen tegelijk beet en er vervolgens aan bleef hangen. Peter gaf nog het welgemeende advies om kleine pasjes te nemen en dat deed ik ook. Toch kwam ik totaal uitgewoond boven en voor mijn gevoel was hiermee het laatste beetje energie uit mijn onderdanen geknepen. Ik had de rest van het traject het idee dat ik niet meer vooruitkwam. Ook al wijzen tijden en snelheden van en over dat laatste stuk door bewoond gebied anders uit. In dit kleurrijke stukje Bijlmermeer (de H-buurt) kwamen er een enkele Afrikaanse mensen langs en een vrouw in dat gezelschap lachte ons gewoon vierkant en hardop uit. In de trant van: ‘wat zijn die idioten nu aan het doen op deze zonnige zondagmiddag’. Gelukkig kon ik dat geestelijk nog net-aan behappen en ik ploeterde onverdroten voort. Peter begon onderwijl stukje-bij-beetje aan zijn traditionele demarrage. Er was al een klein gaatje tussen ons en hij zocht een paar keer de met tegels belegde stoep ter rechterzijde op, terwijl ik vasthield aan het rode asfalt van het fietspad. Zo hobbelden wij met steeds iets grotere tussenruimte in de richting van het park en de atletiekbaan waar wij een kleine 80 minuten eerder van start waren gegaan.

Een vrijwilliger stond onder de Huntumdreef aan te moedigen met de woorden: ‘je bent er bijna, zet hem op’. Ik kon alleen maar bedenken dat ik dat al de hele tijd aan het doen was, mijn petje opzetten en dan weer afnemen. Ongeveer tegelijkertijd passeerde ik een loper waarvan Peter later wist te vertellen dat deze man er daar al compleet doorheen zat. Psychologisch gezien is het altijd fijn als je te elfder ure nog mededingers het nakijken kunt geven. Dat lukte mij ook met een op het oog nog niet zo oude, mannelijke loper. Die ik precies bij het door het hek gaan en het ronden van het kleine clubhuisje kon overlopen. Ik zette zo goed en zo kwaad als het ging aan, opdat niemand mij voor de meet dat kunstje nog zou flikken. Een paar keer achteromkijkend, zag ik dat ik in dat opzicht in veilige haven was. Koud over de eindstreep gekomen moest ik fluks inhouden om mijn vetleren plak in ontvangst te nemen van een zeer jeugdige medewerkster. Volgens Garmin had ik deze tunnelrun, waarbij mijn rug mij wederom geen centje pijn bezorgde, in 1:24:30 afgelegd. De officiële tijdwaarneming haalde daar nog eens een seconde vanaf. En Peter de Haas, die tijdens de ultieme meters steevast vergeet dat hij als zodanig is ingehuurd, had er volgens diezelfde registratie netto slechts 8 tellen minder voor nodig gehad. Opvallend, maar niet verbazend, was wel dat mijn Garmin (model 235) 13,82 km had geregistreerd en Peters model 30 slechts 13,59 km. Terwijl de afstand volgens de organisatie 13,65 km bedroeg. Door die iets kortere afstand zou mijn pacer vanzelfsprekend een hogere uursnelheid gelopen hebben dan ondergetekende, terwijl wij tot zeker 13 km gebroederlijk naast elkaar gehobbeld hebben. Waarbij aangetekend dat mijn 9,82 km/uur weliswaar geen wereldtempo is, maar toch een stukkie beter dan van te voren ingeschat.

Zo’n beetje alle binnengekomenen bleven hangen rond de meet en wij konden derhalve in alle rust uitwandelen, een beetje rekken en bijpraten op het verlaten deel van de Bijlmerse atletiekbaan. Daar gingen wij een paar keer heen-en-weer en nuttigden de eerste vochtaanvullende watertjes. Ik weet niet hoe het met die van mijn metgezel waren, maar mijn benen voelden behoorlijk zwaar en verzuurd aan. En dat duurde ook nog een tijdje. Na het ophalen van de tassen en het omkleden en hangen in de kleedkamer, verlieten wij de plaats des heils en schuifelden (althans uw verteller deed dat) door het Nelson Mandelapark richting het NS-station. Daarbij namen we, op mijn voorstel, voor een deel een alternatieve route tussen de oude Bijlmerflats door. Grappig vond ik dat de twee dames met wie wij in het begin even hadden opgelopen aan het einde van het park op gepaste afstand achter ons aan liepen. Ik keek een paar keer om teneinde te zien of zij naderbij kwamen. Dan zou ik voorzeker gevraagd hebben of zij de gehele expeditie succesvol voltooid hadden. Helaas bleef de afstand tussen ons gehandhaafd en daarmee mijn vraag in de lucht hangen.

Op station Bijlmer Arena togen wij direct naar de plaatselijke Starbucksvestiging, waar wij onszelf trakteerden op een grote beker zoete koffie. Kostte in mijn beleving een lieve duit maar wij moesten nodig onze suikerspiegel aanvullen. En wij hadden het gewoonweg verdiend vanwege alle inspanningen. Gezeten op terrasstoelen in de overdekte hal direct voor het genoemde etablissement, namen wij een ruim halfuur de tijd om te drinken, bij te komen en vanzelfsprekend honderduit na te praten over onze heldendaden van die middag. Toen de koffie helemaal en de gespreksonderwerpen grotendeels op waren, gingen wij maar weer in de hoeven. De mijne voelden zowaar een stuk beter en uitgeruster aan dat toen wij daar neerstreken. Wat een flinke tas koffie al niet kan bewerkstelligen! Overbodig om te vermelden dat deze zesde samenloop als vanouds een doorslaand succes was en meer dan reden genoeg om op zeer korte termijn over te gaan tot nummer zeven. In het laatste weekeinde van juni zijn de boorden van de prachtige rivier de Vecht en de rustieke grachtjes en straatjes van Amsterdam-Weesp de inmiddels vertrouwde plaats van handeling. Ik zie er al met genoegen en ongeduld naar uit. Temeer omdat ik met de Gaasperplasrun de blessuretunnel, naar ik hoop en aanneem, voorlopig achter mij gelaten heb. Ik beweeg mij weer relatief soepel onder de blote hemel, doe dagelijks mijn oefeningen en ga die nog verder intensiveren en uitbreiden. Voor mijn gevoel ben ik dus, zij het met een boemeltje terug op het juiste spoor en wie weet gaat de intercity daar ook nog weer eens rijden.


Looptijden.nl op Facebook